Klik hier om weer terug te gaan naar de homepage!
 
 
 

 

Byblis, de dochter van Miletus, wordt verliefd op haar broer Caunus. Deze vlucht voor zijn zuster uit Milete.

Byblis bewijst dat meisjes moeten minnen met fatsoen,

want Byblis, die verliefd was op haar broer, Apollo’s kleinzoon,

minde zoals een zuster nooit een broer beminnen mag…

Eerst kan zijzelf dat liefdesvuur nog helemaal niet duiden,

vindt het ook niet verkeerd, als zij hem steeds weer kust, steeds meer

haar armen om haar broeders nek slaat; lange tijd verkeert ze

in een bedrieglijke waan van zus-en-broergevoel.

Maar langzaam wijkt die liefde af: als ze haar broer bezoekt,

doft ze zich op en wil zich extra mooi aan hem vertonen;

ze wordt jaloers, wanneer hij andere meisjes mooier vindt,

maar is zichzelf daarvan niet bewust, ze stort nog geen

gebeden met verliefde wensen, maar van binnen gloeit het…

Ze noemt hem nu haar lieveling en haat het woordje ‘broer’

en wil ook liever dat hij haar maar Byblis noemt, niet ‘zuster’.

Toch waagt ze het nog niet te denken aan verboden lust,

althans niet overdag; maar ’s nachts, door zoete slaap ontspannen,

ziet ze heel vaak van wie ze houdt; ze droomt zelfs hoe ze zich

verstrengelt met haar broer en bloost ervan in diepe rust.

Eenmaal ontwaakt ligt ze dan stilletjes een hele tijd

te denken aan die droombelevenis en zegt in twijfel:

‘Ik arme! Wat beduidt zo’n visioen in de stille nacht?

Ik zou niet willen dat dit echt gebeurt! Vanwaar die dromen?

Zelfs voor zijn grootste vijand is hij nog aantrekkelijk –

dat vind ik ook. Als hij mijn broer niet was, zou ik verliefd zijn,

hij zou goed bij mij passen. Maar bij zusters mag dat niet.

Zolang ik wakend nu maar oppas en niets laat gebeuren,

mag zich diezelfde droom nog vaak herhalen in mijn slaap:

slaap kent geen ooggetuigen, maar schenkt wel gedroomde lusten!

O lieve Venus met uw vleugelsnelle Cupido,

wat een verrukkingen ontving ik, wat een pure hartstocht

bezielde mij! Hoe lag ik daar in volle overgave!

Hoe fijn daaraan te denken, zelfs al was het een korte vreugde;

de nacht ging al te snel voorbij, jaloers op wat ik deed.

Ach, kon ik mij maar anders noemen, kun ik jou maar huwen!

Caunus, wat zou ik niet een goede dochter voor je vader

en, Caunus, jij een goede schoonzoon voor de mijne zijn!

O, dat de hemel ons in alles, maar in afkomst niet

verenigd had! Ik wou dat jij veel rijker was geboren!

Straks maak je weet-ik-wie tot moeder van je kind; voor mij

zul je alleen maar broer zijn met – helaas – dezelfde ouders

als die van mij. Dat wat ons scheidt zal ons verenigen.

Maar wat betekenen die dromen dan voor mij? Of liever:

wat hebben dromen voor gewicht? Hebben ze wel gewicht?

O god beware me! – Toch zijn ook goden soms met zusters

gehuwd, zoals Saturnus met zijn eigen zuster Ops,

Oceanus met Tethys en Olympus’ heer met Juno.

Maar goden hebben eigen wetten, waarom wil ik dan

mensengedrag en aardse regels aan de hemel toetsen?

Mijn liefde is verkeerd en dient snel uit mijn hart verjaagd

of, als me dat niet lukt, laat mij dan sterven, bid ik, laat mij

hier worden opgebaard, zodat mijn broer mij nog zal kussen!

Maar nee, de toestand vraagt om een beslissing van ons beiden:

stel dat ik sterven wil – voor hem zal dat een misdaad zijn.

Toch schuwden ook de zoons van Aeolus geen zusterhuwelijk.

Maar waarom noem ik hem? Waarom haal ik dit voorbeeld aan?

Een zuster mag haar broer beminnen, maar niet meer dan past.

Maar dan… als hij de eerste was geweest? Op mij verliefd was?

Ik denk dat ik zijn liefde niet had kunnen weigeren…

Mag ik dan, als ik zijn verzoek belonen zou, niet ook

hetzelfde vragen? Maar hoe vind je woorden? Kun je ’t hem

vertellen? Ja, want liefde dwingt. Zelfs als ik zwijg uit schaamte

kan een verstolen brief van mijn verborgen passie spreken…’

Deze gedachte lijkt haar goed en wint het van haar twijfels.

Ze richt zich op in bed en leunend op haar linkerzij

denkt ze: ‘Hij moet maar zien. Ik schrijf hem van mijn ziek verlangen,

maar ach, waar gaat dit heen? Wat voor een vlam raast in mijn hart?’

en componeert een weldoordachte brief. Haar handen beven

met rechts de schrijfstift, links het onbeschreven wastablet.

Ze schrijft een aanhef, aarzelt, schrijft en schrapt die woorden door,

schrijft weer, wist dat ook uit, verbetert, keurt iets goed of af,

legt steeds het plankje weg om het direct weer op te nemen.

Ze weet niet wat ze wil; al wat ze denkt te doen, mislukt

en haar gezicht vertoont een mengeling van durf en schaamte.

Eerst stond er: ‘Ik, je zuster…’ – ‘Zuster’ werd weer doorgekrast.

Toen, in de gladgestreken was, ontstonden deze zinnen:

‘Een vrouw die slechts geluk zal kennen als jij haar dat schenkt,

stuurt dit uit liefde toe. Ik schaam mij diep mijn naam te noemen

en als je vraagt, wat ik verlang… graag zou ik anoniem

mijn zaak bepleiten en alleen als er gegronde hoop is

dat mijn verlangen slaagt, bekennen dat ik Byblis heet…

Je had van mijn gewonde hart veel tekens kunnen vinden:

mijn bleke kleur en mager uiterlijk, mijn dikwijls zo

betraande blik, mijn zuchten zonder duidelijke oorzaak,

al die omhelzingen en – wat je , denk ik, hebt gemerkt –

die kussen die toch niet als van een zuster konden voelen.

Toch heb ik zelf, hoe diep ik ook gewond was in mijn hart,

hoezeer dat vuur van binnen raasde, alles ondernomen

- de goden zijn getuigen! – om verstandiger te zijn

dagenlang trachtte ik te vluchten voor de felle pijlen

van Cupido, ik arme, ik verdroeg meer pijnen dan

je van een meisje kunt verwachten; maar ik moet bekennen

dat ik te zwak was en met bange roep jouw bijstand vraag,

want jij alleen kunt deze liefde redden of tenietdoen.

Kies een van twee. Het is geen smeken met vijandig hart,

nee, van een vrouw die jou heel na staat en nu nog veel nader

verlangt te zijn, de band met jou nog strakker voelen wil.

En dat er wetten zijn – laat oude lieden maar vertellen

wat kan en mag of niet mag en die regels koesteren,

bij onze leeftijd past toch meer een roekeloze Venus!

Wij, jij en ik, weten nog niet wat mag of niet, wij denken

dat alles maf! De grote hemelgoden zijn ons voorbeeld.

Geen boze vader, ook geen zorgen om schandaal, geen angst

houden ons tegen – hadden wij maar reden bang te zijn!

Wij spelen ons verborgen liefdesspel als broer en zuster:

niemand verbiedt mij om met jou vertrouwelijk te spreken

en zoenen en omhelzen doen wij zelfs in ’t openbaar.

Wat nog ontbreekt is toch zoveel niet? Red een vrouw, die eerlijk

haar liefde toont, alleen omdat het felste vuur haar dwingt,

en laat mijn grafsteen jou niet noemen als de schuldige!’

Terwijl haar hand – vergeefs – de regels schrijft, laat het tablet

haar in de steek: de laatste zin wordt langs de rand gekrabbeld.

Dan, snel, bezegelt hij haar zonden met het stempel van

haar ring, vochtig gemaakt met tranen, daar haar tong te droog is.

Blozend van schaamte wenkte zijn een dienaar, stelde hem

op zijn gemak: ‘Hier trouwe vriend, breng dit aan mijn geliefde…’

stokte, en ging weer door, ‘…breng dit aan mijn geliefde broer’,

maar toen ze hem de brief wou geven, viel hij haar uit handen –

een kwalijk teken, dat haar schokte. Toen liet zij hem gaan…

 

De man wachtte een geschikt moment af, reikt de stille boodschap

aan Caunus over, die, ontsteld, in plotse razernij,

de brief al na de eerste zinnen wegsmijt en met moeite

zijn handen thuishoudt en de sidderende knecht niet wurgt,

roepend: ‘Wat! Valse bode van verboden lust! Verdwijn maar

zo snel je kunt! Bah! Als jouw lot niet ook verbonden was

met dit schandaal van ons, had ik je met de dood gestraft!’

De man vlucht in paniek en doet zijn meesteres verslag

van Caunus’ woeste taal. Byblis verbleekt, als zij zijn afkeer

verneemt, jaar lichaam raakt verstijfd en ijzig koud van angst.

Toch, als ze weer wat tot zichzelf komt, keert de hartstocht terug.

Haar stem breekt uit in klachten die haast onverstaanbaar zijn:

‘Het is mijn schuld! Hoe onvoorzichtig deed ik hem te schrijven

over mijn hartewond! Waarom heb ik zo overhaast

woorden, die duister hadden moeten blijven, opgeschreven?

Ik had eerst zijn gedachten met omzichtig woordgebruik

moeten verkennen en, om gunstig op de wind te varen,

eerst moeten kijken hóe die wind stond met een puntje van

het zeil, en dan pas veilig over zee gaan. Maar nu heb ik

direct met volle zeilen onverwachte storm geoogst

en loop ik op de klippen vast, ja, raak bedolven onder

een hele oceaan. Mijn zeilschip ziet geen uitweg meer.

En dan dat vege teken: werd ik niet met klem gewaarschuwd

mijn liefde op te geven? Viel die brief niet op de grond

toen ik hem liet bezorgen? Sloeg dat niet mijn hoop in duigen?

Toen had ik toch het tijdstip kunnen wijzigen of zelfs

het hele plan? Nee, liever maar het tijdstip… Ook de hemel

waarschuwde duidelijk, als ik maar wijzer was geweest.

Ik had hem, hoe dan ook, zelf moeten spreken, mij niet wagen

aan wassen woorden, zelf aan hem mijn hartstocht laten blijken!

Hij had mijn tranen kunnen zien, de liefde in mijn blik;

ik had meer kunnen zeggen dan er in die brief kon staan,

hem in mijn armen sluiten of hij wou of niet, en als ik

werd afgewezen, kunnen doen alsof ik stervend was

en hem de voeten kussen, redding smeken op mijn knieën!

Alles had ik gedaan en als zijn ongevoelig hart

niet door het ene was vermurwd, dan wel door alles samen.

Misschien ook, dat die dienaar die ik stuurde schuldig is:

hij kwam onhandig binnen, denk ik, koos een slecht moment,

keek niet of Caunus tijd had en wel volle aandacht schonk.

Dat werkte in mijn nadeel, want mijn broer heeft toch van huis uit

geen tijgeraard, zijn hart is niet van kille steen, geen blok

van staal of ijzer, hij kreeg nooit leeuwinnenmelk te drinken!

Ik zál hem winnen! Steeds weer naar hem toegaan en mijn doel

geen ogenblik, zolang ik adem heb, laten verflauwen!

Het ware beter, als ik het gebeurde kon herzien

en ik dit nooit begonnen was; maar eenmaal iets begonnen

dient dat ook door te gaan; al geef ik mijn verlangen op –

nooit kan hij mijn gewaagde brief uit zijn gedachten bannen;

ook zal hij, juist omdat ik opgeef, denken dat mijn lust

lichtzinnig was, dat ik getracht heb hem een val te zetten

en zeker dat ik door genotzucht en niet door die god

die mij zo sterk beheerst en binnen opstookt werd gedreven!

Kortom, ik kan mijn zondigheden niet meer loochenen:

ik schreef die brief, een liefdesbrief, mijn wens was onfatsoenlijk.

Al doe ik verder niets, ik kan niet meer onschuldig heten;

wat rest heeft meer met goede hoop te maken dan met schuld.’

Zo spreekt zij. Haar verwarde tweestrijd is zo groot, dat zij

wil laten lukken wat allang mislukt was. Maar nu kent ze

geen maat meer en wordt steeds weer afgewezen, arme vrouw.

En dan, als er geen eind aan komt, vlucht Caunus uit Milete,

ontvlucht dat kwaad en sticht een nieuwe stad op vreemde grond.

 

Byblis zwerft in liefdeswaanzin rond en verandert ten slotte in een bron van tranen.

Men zegt, dat Byblis in haar droefheid pas echt volslagen

waanzinnig werd, dat zij zich de kleren van het lijf

gerukt heeft en in razernij haar armen blauw geslagen.

Nu blijkt ook openlijk, hoe ziek zij is en hoe zij smacht

naar ongepaste liefde, daar ook zij die plek van onheil,

haar vaderstad, verlaat, in ’t spoor van haar gevluchte broer.

Zoals ook Thracische Bacchanten in extase raken

bij Dionysus’ thyrsus, tijdens zijn driejaarlijks feest,

zo rende Byblis krijsend wijde vlakten door. Veel vrouwen

zagen haar langsgaan, eerst bij Bubasus, dan verderop

in Carië, in ’t roversland rond Megara; vervolgens

door Lycië, over de Xanthusstroom, de Limyre,

de Cragusberg, waar het Chimaeramonster woonde, dat

van voren leeuw, van achteren slang en middenin vuur was.

De bomen kalen reeds, als Byblis, uitgeput van ’t lopen,

instort; zij ligt er op de harde grond, het haar wijduit

gespreid en haar gezicht diep in de afgevallen blaadjes.

De nimfen van die streek willen haar steeds met zachte drang

weer helpen opstaan; steeds weer zeggen zij, dat ze haar liefde

vergeten moet, en spreken troost, die zijn niet wil verstaan.

Zwijgend en met de vingers in het groene gras geslagen

ligt Byblis daar; een beek van tranen houdt de grasgrond nat.

Men zegt dat waternimfen er een bron van maakten, die

nooit op kan drogen. Wat is mooier eerbetoon dan dat?

Direct daarna, als hars dat uit een ingekeepte boomschors

wegdruppelt, of als kleverige pek uit rijke bodem,

als water dat bij vorst bevroren is, maar bij de komst van

een zoele en zachte westenwind door zonneschijn ontdooit,

zo smolt Apollo’s kleinkind, Byblis, weg in eigen tranen

en werd een bron die nu nog altijd in dat dal de naam

van haar verwekster draagt, ontspringend bij een donkere steeneik.

 

(uit ‘Metamorphosen’ van Ovidius, Boek IX, verzen 453-634,

uitgeverij Athenaeum – Polak Van Gennep, zevende druk, 2000,

vertaald door M. D’Hane-Scheltema)

 

Deze pagina is ververst op: Wednesday, 28 April, 2004
Klik hier om weer terug te gaan naar de homepage!  
Klik hier om weer terug naar de homepage te gaan!