| Turkije |
Republiek Turkije =
Türkiye Cumhuriyeti TC |
| Ligging |
In West-Azië en Zuidoost-Europa |
| Staatshoofd |
Ahmet Sezer (2000) |
| Premier |
Recep Tayyip Erdogan |
| Oppervlakte |
779.450 km2 (waarvan
23.764 km2 in Europa) |
| Bevolking |
63.745.000 |
| Bruto Nat. Product per
inwoner |
$ 3.122 |
| Hoofdstad |
Ankara |
| Munteenheid |
Turkse Lire |
| Taal |
Turks |
| Godsdiensten |
Islam 98% (waarvan 70%
Sunni, 15-25% Aleviet) |
| Analfabetisme |
18% |
| BNP |
$ 199 mrd (Landbouw 40%,
Industrie 25%, Diensten 35%) |
| Export |
$ 26 mrd |
| Import |
$ 49 mrd |
| Handelspartners |
Duitsland, Frankrijk,
Italië, U.S.A., Verenigd Koninkrijk, Iran, Japan, Rusland |
| Demografische gegevens |
|
Tropische
temperaturen, aangename stranden, een afwisselend landschap
met ongerepte bergmassieven, woestijnlandschappen, rivieren,
meren, de Zwarte, Egeeische en Middellandse Zee. Een bezoek
aan het klooster Sumela, zestienhonderd jaar geleden gebouwd,
hoog en diep in de rotsen verscholen, de drukke zandstranden
van Kusadasi (vogelparadijs), zwerven door het maanlandschap
van Cappadocië (Nevsehir), door vulkaanuitbarstingen vervormde
grotten, rotsen en bergwanden waar de eerste christenen zich
verschuilden, en verdwalen in de mierenhoop van straatjes
en steegjes van Istanbul. Als je in een maand heel Turkije
wilt rondtrekken, sla je meer over dan dat je ziet.
Als je tussen de blauwe wateren van de Bosporus vaart, voel
je je klein en nietig. Hier eindigt Azië en begint Europa.
Of net andersom. Als je in Istanbul komt, de miljoenenstad
die doormidden gesneden is, val je met de neus in de boter.
Lange, brede boulevards worden afgewisseld met kleine, krappe
steegjes, in het menigte krioelt het van de marktverkopers,
handelaren, mensen uit alle lagen en alle delen van de wereld
en bewijzen koepels en minaretten van het Osmaanse en Byzantijnse
Rijk het bestaan van een roemruchte geschiedenis
Het Aziatische deel (ook Klein-Azië of Anatolië geheten) en
het Europese deel (Thracië) zijn van elkaar gescheiden door
(van noordoost naar zuidwest) de Bosporus, de Zee van Marmara
en de Dardanellen, tezamen de verbinding vormend tussen de
Zwarte Zee en de Middellandse Zee. De beide delen zijn door
twee bruggen over de Bosporus met elkaar verbonden. De kustlijn
is ruim 8000 km lang. Van de eilanden in de Egeïsche Zee behoren
slechts twee (Gökçeada en Bozcaada) tot Turkije.
Landschap
Het hoogland van Anatolië kan als het kernlandschap van Turkije
worden beschouwd. Het bestaat uit een ca. 2000-2500 m hoge,
boomloze, deels woestijnachtige hoogvlakte, in het noorden
en in het zuiden door hoge randgebergten, resp. het Pontisch
Gebergte en de Taurus, omgeven, beide met een groot aantal
toppen van 3000 m en meer. Naar de Egeïsche zijde lost het
hoogland zich op in een aantal kleinere gebergten, diep ingesneden
door in oost-westrichting verlopende dalen. Op het hoogland,
doch in een opmerkelijk excentrische, zuidwestelijke ligging,
bevindt zich een gebied zonder afvloeiing, dat ongeveer eenderde
van het gehele hoogland in beslag neemt. Het bestaat voor
een groot deel uit zoutsteppen, afgewisseld met zoutmoerassen
en zoutpannen, en vormt het overblijfsel van een zoetwaterbinnenzee,
die sedert het Tertiair Anatolië geheel bedekte, doch die
na een periode van uitdroging geheel is verdwenen. Het door
uitlogen vrijgekomen bodemzout werd met het overblijvende
water naar het laagste punt van het gebied gevoerd, waar het
op 940 m hoogte het Tuz Gölü (= Zoutmeer; ca. 1650 km2) vormde.
Ook in het zuidwesten van het afvoerloze gebied vormden zich
zoutmeren. Langs de gehele kust van het schiereiland loopt
een smalle vlakte die zich slechts op twee punten verbreedt,
nl. bij Adana, in de bocht van de Middellandse Zee bij de
Syrische grens, waar zij een alluviale riviervlakte vormt,
en vooral aan de Egeïsche kust, waar de rivieren brede en
diep in het land dringende dalen hebben gevormd.
Rivieren en meren
Turkije bezit weinig rivieren, die bovendien vrijwel geen
van alle geschikt zijn voor de scheepvaart; alleen in Zuid-Oost
Turkije is een deel van de bovenloop van de Eufraat met kleine
vaartuigen en vlotten bevaarbaar. Globaal gezien stromen de
rivieren naar alle zijden van het Anatolisch plateau af en
doorbreken op weg naar zee de randgebergten. Zij hebben een
groot verval (tot 11%) en ontwikkelen derhalve een sterke
erosiewerking; aan de monding vormen zij dikwijls deltalandschappen
uit het meegevoerde materiaal. Zij meanderen daar vaak sterk.
De grootste geheel op Turks gebied stromende rivier is de
Kizil Irmak (= Rode Rivier). De Turkse meren liggen grotendeels
in de beide afvoerloze gebieden en hebben deels zout, deels
brak, op plaatsen met ondergrondse waterafvoer voor een deel
zelfs zoet water.
Klimaat
Het klimaat vertoont grote plaatselijke verschillen, die vooral
samenhangen met de ligging ten opzichte van de zee en de hoogte.
Het binnenland bezit een sterk continentaal klimaat, terwijl
het klimaat van de kusten een maritiem karakter heeft. Depressies,
gemiddeld ongeveer vijf per jaar, komen uitsluitend in het
koude jaargetijde voor en trekken dan over de Zwarte Zee of
over de Middellandse Zee, maar nooit over het centrale hoogland.
Hun invloed doet zich niet meer dan enige tientallen kilometers
landinwaarts gevoelen. Daardoor kunnen in het binnenland,
ondanks de lage geografische breedte, zeer lage temperaturen
voorkomen. Aan de voorzijde van de Middellandse-Zeedepressies
voeren woestijnwinden droge, warme lucht ook naar het binnenland,
speciaal in het voorjaar. 's Zomers waaien onder invloed van
de lage druk boven Azië etesische winden (Turks enkelv.: meltem).
De kusten zijn dan koeler dan het binnenland, juist tegengesteld
aan de wintersituatie. Behalve langs de kust, m.n. van de
Zwarte Zee, is de neerslag gering en sterk variabel.
Plantengroei
Het centrale plateau vormt de toegang tot de steppen van Centraal-Azië.
Behalve in het droge hart is er veel grasland. Tegen de flanken
van uitgedoofde vulkanen, zoals de Kara Dag en de Erciyas
Dagi, waarvan de hogere hellingen vaak bebost zijn, komen
steppen voor, evenals op de plateaus van Oost-Turkije tussen
de gebergten, bijv. rond Erzurum en Kars. Op de hellingen
van de Taurus en de Antitaurus komt in lente en zomer een
weelderige grasgroei tot stand. Eeuwen van houthakken en grazen
hebben de bossen uitgedund en teruggedrongen (van 70% tot
26% van de oppervlakte) en hebben zelfs hun samenstelling
veranderd. Het aanhoudend grazen van geiten in de westelijke
kustgebergten verklaart het daar overheersende struikgewas.
De rijkste bossen van Turkije liggen in het noorden, op de
noordelijke hellingen van het Pontisch Gebergte die de Zwarte
Zee flankeren. Eiken en hazelaars hebben van het zeeniveau
tot aan het rododendronstruikgewas net onder de sneeuwlijn
de overhand.
Samenstelling en spreiding
De bevolking bestaat voor 73% uit Turken, 17% zijn Turkse
Koerden (die hoofdzakelijk in de zuidoostelijke provincies
en de steden wonen). Daarnaast zijn er nog kleine minderheden
Arabieren (in het zuidoosten), Grieken en Armeniërs (in de
grote steden), Tsjerkessen, Bulgaren, Georgiërs en Lazaren
(bij de Zwarte Zee). De bevolkingsaanwas bedroeg tussen 1985
en 1995 gemiddeld 1,9% per jaar. De dichtstbevolkte provincies
zijn de westelijke, die langs de Zwarte Zee en de provincies
Adana en Hatay aan de Middellandse Zee. 70% van de bevolking
woont in de steden. De grootste steden zijn: Istanbul (4 miljoen,
met voorsteden 7,6 miljoen inw.), Ankara (2,8 miljoen, met
voorsteden 4 miljoen), Izmir (2 miljoen), Adana (1 miljoen),
Bursa (1 miljoen), Gaziantep (716.000), Konya (576.000) en
Içel (Mersin; 523.000). Ca. 1,5 miljoen Turken werken in het
buitenland, vooral in West-Europa (van wie ca. 1 miljoen in
Duitsland en ca. 180.000 in Nederland) en in landen van het
Midden-Oosten.
Taal
Het Turks is in Turkije de enige nationale taal en wordt daar
gesproken door ca. 95% van de bevolking, dwz. 62 miljoen personen.
Turkse talen, groep van onderling nauw verwante talen, die
oorspronkelijk alleen in Centraal-Azië voorkwam, maar zich
gedurende de middeleeuwen naar Voor-Azië en Oost-Europa heeft
uitgebreid. Samen met de Mongoolse en Toengoezische talen
wordt zij ingedeeld bij de familie van de Altaïsche talen,
hoewel de historische verwantschap van deze drie taalgroepen
niet is bewezen.
De oudste teksten in het Turks zijn de zgn. Orhun inscripties,
die dateren uit de 8ste eeuw n.C. Sinds de 11de eeuw zijn
de meeste Turken onder invloed van de islam gekomen; de uitwerking
hiervan op de taal is, behalve het gebruik van het Arabische
schrift, vooral het binnendringen van talrijke Arabische en
Perzische leenwoorden geweest. Het Oost-Turkse Tsajgataïsch
en het West-Turkse Osmaans ontwikkelden zich in de islamitische
periode tot belangrijke cultuurtalen. Na de Eerste Wereldoorlog
zijn de meeste Turkse volken overgegaan tot het Latijnse (in
Turkije) of het cyrillische (in de voormalige Sovjet-Unie)
schrift. In Turkije werd in 1928 een Latijns alfabet van 29
letters ingevoerd. Voor sommige klanken werden bijzondere
diacritische tekens gekozen. Zo kent het Turkse alfabet naast
de u (= Ned. oe) en o de ü en ö met dezelfde klankwaarde als
in het Duits, en naast de i een i (zonder punt) voor een klinker
die overeenkomt met de Nederlandse stomme e. Specifieke tekens
voor medeklinkers hebben de ç (= tsj), s (= sj) en g, die
de voorgaande klinker verlengt.
Waarden die afwijken van het Nederlandse gebruik, hebben de
Turkse c (= dzj), j (= zj) en y (= j). De schrifthervorming
in Turkije bracht ook een intensieve campagne op gang voor
de vervanging van de talrijke leenwoorden uit het Arabisch
en het Perzisch door woorden van zuiver Turkse herkomst.
De huidige Turkse talen omvatten de volgende groepen:
a. het Zuidwestelijke Turks of Ogoezisch, waartoe het Turks
van Turkije, het Azeri (Azerbajdzjaans), de Turkse dialecten
van Iran en het Toerkmeens behoren;
b. het Noordwestelijke Turks, met o.m. het Kirgizisch en de
taal van de Kazachen;
c. het Oost-Turks, met als voornaamste talen het Oezbeeks
en het Nieuw-Oejgoers in het westen van China (vnl. Xinjiang
Uygur);
d. een groep kleine talen in Zuid-Siberië;
e. het Jakoetisch;
f. het Tsjoevasjisch in Oost-Rusland.
De laatste twee talen verschillen sterk van de overige. Voor
de woordvorming en de aanduiding van grammaticale functies
beschikt het Turks over een groot aantal achtervoegsels, die
aan overwegend éénlettergrepige stammen worden gehecht. De
eenheid van het woord wordt gekenmerkt door de vocaalharmonie,
dwz.: afhankelijk van de stamklinker zijn alle volgende klinkers
hetzij vóór-, hetzij achterklinkers (palatale vocaalharmonie),
resp. geronde of niet-geronde klinkers (labiale vocaalharmonie).
De syntaxis kent vrijwel geen bijzinnen; in de plaats daarvan
worden constructies met tegenwoordige deelwoorden en andere
nominale werkwoordsvormen toegepast.
|
| Eten
en drinken |
|
Keuken
|
Lucullus was de grootste lekkerbek
van de klassieke mythologie. Niet voor niets vertoefde hij
lange tijd in Anatolië, dat tegenwoordig Turkije heet. De
Turken staan bekend om een gevarieerde en uitgebreide keuken.
Niet alleen lekker, maar ook gezond. Er wordt veel gebruik
gemaakt van groente en fruit, vis en vlees en melkprodukten.
|
 |
| Vlees wordt
eerder gegrild dan in boter gebakken, sauzen zijn een zeldzaamheid.
Het ontbijt is zeer divers: kaas, warme melk of thee, honing,
olijfen, tomaten, komkommers of eiergerechten, er wordt ook
wel Turkse soep geserveerd: çorba.´s Middags en s´avonds eten
de Turken groentegerechten, vis of vlees, zoals de bekende
kebab, die er in honderd verschillende recepten is. Om te
watertanden is ook imam bayildi, een lekkere maaltijd van
een gehalveerde aubergine, gevuld met gehakt, kruiden en groenten,
die koud geserveerd wordt. Het gerecht kan vertaald worden
met ´imam is flauwgevallen´ , want hij vond het gerecht zo
lekker dat hij van zijn stokje ging. Nagerechten bestaan uit
fruit en zoete desserts. Baklava (Turkse lekkernij), ook in
Griekenland populair, is een in honing gedrenkte bladerdeegkoek,
gevuld met (pistache)noten. Een maaltijd wordt beëindigd met
koffie of thee. Om de ober of kok te bedanken zeg je bijvoorbeeld:
“tesekkurler”. Hij of zei zegt dan “afiyet olsun”, oftewel,
dat het u moge bekomen. |
|
Turkse koffie
 |
Koffie komt
oorspronkelijk uit Jemen, zo rond de vijftiende eeuw, maar
raakte door de Osmaanse veroveringen via Syrië en Egypte ook
in Turkije in zwang. De eerste koffiehuizen werden rond 1550
in Istanbul geopend, in de regeringsperiode van sultan Süleyman
I. De koffiehuizen werden al snel ´scholen van kennis´ genoemd,
omdat er veel intelectuelen kwamen. |
|
| Tot groot
ongenoegen van de islamitische geestelijken, die de koffiehuizen
als broeinesten van politieke en staatsondermijnende activiteiten
bestempelden, bovendien nam het moskeebezoek drastisch af.
De doktoren van die tijd meenden dat koffie schadelijk voor
de gezondheid was.Het kon de hersenen blijvend schade veroorzaken,
het zou ook de kracht van de man verminderen. Voor sultan
Murad IV waren dat redenen om een algeheel koffieverbod uit
te vaardigen. Het kon niet voorkomen dat koffie in latere
eeuwen langzaam maar zeker tot alle lagen van de bevolking
doordrong. Hedendaags drinken de Turken echter nauwelijks
koffie, ze nippen liever aan een glaasje thee, de nationale
drank van Turkije. |
Religie
Ca. 97% van de bevolking behoort tot de islam. Hoewel Turkije sinds
1923 een geseculariseerde staat is, heeft de islam vooral op het
platteland nog grote invloed op het maatschappelijk leven. 70% van
de Turkse islamieten behoort tot de soennitische richting. Onder
hen hebben soefi-sekten en fundamentalistische stromingen als de
Nurcus en de Süleymanci’s een vrij grote aanhang. Daarnaast zijn
er nog de sekte van de Jezidi's en de sji'itische Alawietensekte
in het oosten van het land. Van de tot de Eerste Wereldoorlog tamelijk
talrijke christelijke en joodse gemeenschappen is niet veel meer
over. In de grote steden wonen naar schatting 15.000 Grieks- en
45.000 Armeens-orthodoxe christenen. Voorts zijn er kleine katholieke
en protestantse gemeenschappen. In het zuidoosten wonen nog ca.
20.000 Syrisch-orthodoxen (jakobieten) en enkele duizenden Arabisch-orthodoxen
en nestorianen. Turkije heeft een gemeenschap van ca. 25.000 sefardische
joden.
Omgangsvormen
De Turkse gastvrijheid is groot, hartelijk en oprecht gemeend. Als
u in contact met de plaatselijke bevolking komt, zal men u graag
thee, koffie of een sigaret aanbieden. Het wordt op prijs gesteld
als u hiervan gebruik maakt. Als u bij mensen thuis wordt ontvangen,
moet u meestal uw schoenen uittrekken. Bloemen en parfum worden
vaak aan de vrouw des huizes aangeboden. Vrouwen zijn niet welkom
in koffiehuizen, uitdagende kleding wordt streng afgekeurd en kan
afkeurende opmerkingen tot gevolg hebben.
Staatsinrichting
De Turkse republiek is een gelaïciseerde democratie met een pluralistische
parlementsstructuur, gebaseerd op de rechten van de mens, de wetgeving
en de beginselen van sociale rechtvaardigheid. Volgens de in nov.
1982 per referendum goedgekeurde grondwet (laatstelijk geamendeerd
in 1995) wordt de president voor een periode van zeven jaar gekozen
door het parlement, hij benoemt de ministers en de rechters en is
tevens hoofd van de invloedrijke Nationale Veiligheidsraad. De grondwet
voorziet in één kamer, de Nationale Assemblee, bestaande uit 550
leden, met algemeen kiesrecht (vanaf 18 jaar) gekozen voor een periode
van vijf jaar. Politieke partijen die communisme, fascisme of religieus
fundamentalisme in hun vaandel schrijven, zijn verboden.
Aansluiting bij internationale organisaties
Turkije is stichtend lid van de OESO en de Organisatie voor Economische
Samenwerking van de Zwarte Zee (1992), is lid van de Verenigde Naties
en enkele VN-suborganen, de Islamitische Conferentie, de NAVO (sinds
1952), de Raad van Europa. Sinds 1963 is Turkije geassocieerd lid
van de EU (douane-unie sinds 1 jan. 1996).
Politieke partijen en vakbonden
Na de staatsgreep van sept. 1980 werden de politieke partijen ontbonden.
Bij de verkiezingen van 1983 werden nieuwe politieke partijen toegelaten,
mits goedgekeurd door de Nationale Veiligheidsraad. Voormalige politici
waren tot 1987 van politieke activiteit uitgesloten. ln de praktijk
keerde een aantal oude politieke partijen onder een nieuwe naam
terug. De voornaamste partijen zijn: de Anavatan Partisi (ANAP)
of Moederlandpartij (liberaal-conservatief; in 1983 opgericht door
o.a. Turgut Özal), de Dogru Yol Partisi (DYP) of Partij van het
Juiste Pad (centrum-rechts; van ex-premier T. Çiller; voortzetting
van de Gerechtigheidspartij [AP]) en de Partij van Democratisch
Links (DSP) o.l.v. Bülent Ecevit (centrum-links; voortzetting van
de in 1923 door Mustafa Kemal [Atatürk] opgerichte Republikeinse
Volkspartij [Cumhuriyet Halk Partisi, CHP], die in de jaren zeventig
in socialistische richting evolueerde). Daarnaast heb je de Fazilet
Partisi van Recai Kutan (traditionalistisch islamitisch) en de MHP(Nationaal
actie partij) van Devlet Bahçeli. De grondwet van 1982 erkent het
recht op vakbondsvorming en het stakingsrecht. Het grootste overkoepelende
vakverbond is Türk-is (Confederatie van Turkse vakbonden), opgericht
in 1952 en lid van de Internationale Federatie van Vakverenigingen.
De voornaamste Turkse werkgevers zijn verenigd in TUSIAD (Turkse
Associatie van Industriëlen en Zakenlieden).
Mustafa Kemal Atatürk
Atatürk, Kemal (Saloniki 1881 - Istanbul 10 nov. 1938), Turks militair
en staatsman, stichter en eerste president van de republiek Turkije.
Zijn naam was eerst Mustafa Kemal. De naam Atatürk (= 'Vader van
de Turken') kreeg hij in 1934 bij de invoering van achternamen in
Turkije.
Van 1893 tot 1905 doorliep hij verscheidene militaire scholen. Als
officier vocht hij in Libië tegen de Italianen (1912) en tijdens
de Balkanoorlogen. Hij onderscheidde zich in de Eerste wereldoorlog
bijzonder bij de verdediging van de Dardanellen (1915). Hij kreeg
de titel Pasja (= generaal). In mei 1919 werd hij naar oostelijk
Anatolië gezonden als inspecteur van de strijdkrachten. Direct begon
hij het verzet te organiseren tegen de Grieken, die bij Smyrna waren
geland, en tegen de regering te Istanbul, die een defaitistische
politiek voerde tegenover de Geallieerden (zie ook geschiedenis).
Te Erzurum en te Sivas werden nationalistische congressen gehouden.
Na een tijdelijke verzoening met de regering, die in maart 1920
eindigde met de ontbinding van het pas gekozen parlement, kwam in
Ankara een Grote Nationale Vergadering bijeen onder leiding van
Kemal. De Grieken werden in 1921 verslagen bij Inönü en bij de Sakarya,
waarbij Atatürk de eretitel 'Gazi' (= 'Overwinnaar') verwierf. Na
de val van Smyrna in sept. 1922 werd het nieuwe bewind erkend. Bij
de Vrede van Lausanne werd het vernederende Vredesverdrag van Sevres
herzien en de onafhankelijkheid van Turkije hersteld. Sultan Mehmed
VI werd afgezet. In 1924 werd ook het kalifaat afgeschaft. Op 29
okt. 1923 werd de republiek uitgeroepen met Atatürk als president.
Hij bleef dit tot zijn dood.
De grondwet van 1924 gaf hem grote bevoegdheden, die hij gebruikte
voor een radicale hervorming van het oude Turkije naar West-Europees
model. De politieke en sociale hegemonie van de islam verdween.
In enkele jaren tijds schafte hij de Religieuze Wet en alle daarmee
verbonden instellingen af. Ook uiterlijk werd met het verleden gebroken
door het verbod van de fez. De enige partij was de Republikeinse
Volkspartij, gebaseerd op het Kemalisme. In okt. 1927 gaf Atatürk
in een zes dagen durende rede (nutuk) zelf een overzicht van zijn
revolutie. De invoering van het Latijnse schrift (1928) was het
begin van een zuivering van het Turks van Arabische en Perzische
elementen. De economie kwam in de crisisjaren geheel onder controle
van de staat. Met de buurlanden wist Atatürk steeds goede betrekkingen
te handhaven.
Bij zijn dood was de herleving van Turkije als moderne nationale
staat een feit. Inonu, jarenlang eerste-minister, volgde hem op
als president. In 1953 is Atatürk bijgezet in een mausoleum (architecten:
Emin Onad en Orhan Arda) bij Ankara.
Ismet Inönü
Inönü, Ismet, oorspronkelijk: Mustafa Ismet (Izmir 24 sept. 1884
- Ankara 25 dec. 1973), Turks generaal en staatsman, werd na de
Eerste Wereldoorlog chef van de generale staf. In april 1921 stuitte
hij bij het dorp Inönü de opmars van de Grieken. Aan dit feit ontleent
hij de familienaam, die hij in 1934 aannam. Vanaf 1923 was hij met
een korte onderbreking (nov. 1924 - maart 1925) premier en naaste
medewerker van Kemal Atatürk tot sept. 1937.
Op 11 nov. 1938 volgde hij Atatürk op als president en als leider
van de Republikeinse Volkspartij. In 1945 stond Inönü de vorming
van oppositiepartijen toe. Toen de nieuwe democratische partij,
afgesplitst van de republikeinen, in 1950 een grote overwinning
behaalde, trad Inönü af. De volgende tien jaar was hij oppositieleider.
Zijn schorsing als parlementslid in 1960 was een van de aanleidingen
tot de militaire staatsgreep van 27 mei. Inönü werd nu het symbool
voor de terugkeer naar de idealen van Atatürk. In 1961 vormde hij
een burgerregering. Hij trad af in febr. 1965, toen de begroting
werd verworpen. Bij de verkiezingen van okt. 1965 verloor hij van
Süleyman Demirel. Ondanks zijn hoge leeftijd bleef Inönü actief
in de Turkse politiek als leider van zijn partij.
Kenan Evren
Evren, Kenan (Alasehir 1 jan. 1917), Turks generaal en politicus,
nam met een Turks contingent deel aan de Korea-oorlog. In 1978 werd
hij stafchef-generaal van de Turkse strijdkrachten. In deze positie
drong hij er bij politici op aan anarchie, terrorisme en seperatisme
in het land te beteugelen.
Toen de politieke partijen geen nieuwe president wisten te kiezen,
voerde het leger in 1980 een staatsgreep uit. Een Nationale Veiligheidsraad
onder zijn leiding nam de macht over, kondigde de staat van beleg
af en verbood alle politieke activiteiten. Evren werd zelf president;
hij stelde zich ten doel de politieke terreur te bestrijden en de
economie te saneren. Er volgden tienduizenden arrestaties van politici,
vakbondsleiders en politieke activisten. Een nieuwe grondwet verschafte
hem in 1982 nog meer volmachten en maakte hem president voor zeven
jaar. In 1983 droeg hij de functie van stafchef-generaal over aan
generaal Ersin en sindsdien was hij burgerpresident.
De regering van premier Özal stabiliseerde de politieke situatie
en liberaliseerde de economie. De presidentsverkiezingen van 1989
werden door premier Özal gewonnen. Op 9 nov. van dat jaar trad Evren
af.
Turgut Özal
Özal, Turgut (Malatya, Oost-Anatolië, 13 okt. 1927 - Ankara 17 april
1993), Turks staatsman, volgde een opleiding tot elektro-ingenieur
te Istanbul en studeerde economie. In 1965 werd hij hoofd van het
Staatsplanbureau onder minister-president Demirel.
Na enige jaren bij de Wereldbank in New York te hebben gewerkt,
saneerde hij vele Turkse bedrijven en werd in 1979, weer onder Demirel,
verantwoordelijk voor het planningsbeleid van de regering, ook na
de militaire staatsgreep in 1980, toen hij vice-premier werd. Vanwege
zijn omstreden economische politiek was hij in 1982 gedwongen af
te treden.
Özal richtte toen de Moederlandpartij op en won hiermee in nov.
1983 bij de parlementsverkiezingen de absolute meerderheid. Hij
vormde een regering, die zich vooral bezighield met het terugdringen
van de militaire invloed op de politiek en de economie. Özal behield
bij de verkiezingen van 1987 nog net zijn meerderheid, maar sindsdien
ging het met zijn intern verdeelde Moederlandpartij bergafwaarts.
Er kwam groeiende kritiek op de rol van familieleden van de premier
in de Turkse politiek. In juni 1988 mislukte een moordaanslag op
Özal. Nadat zijn partij bij lokale verkiezingen een grote nederlaag
had geleden, liet Özal zich op 31 okt. 1989 door het parlement tot
president kiezen. In okt. 1991 leed zijn partij bij de verkiezingen
een nederlaag, waardoor deze haar meerderheid in het parlement verloor.
Süleyman Demirel
Demirel, Süleyman (Isparta 1924), Turks politicus, studeerde waterbouwkunde
en was o.m. directeur van Rijkswaterstaat. Zijn politieke carrière
begon na zijn verkiezing tot voorzitter van de Rechtvaardigheidspartij
in 1964.
Van oktober 1965 tot maart 1971, toen het leger hem tot aftreden
dwong, was hij premier. In maart 1975 trad hij opnieuw op als eerste-minister
van een regering die in 1977 haar meerderheid verloor. Daarna werd
hij oppositieleider. In okt. 1979 werd hij opnieuw premier van een
instabiel coalitiekabinet, dat niet in staat bleek het hoofd te
bieden aan het toenemende politieke geweld in Turkije. Op 12 sept.
1980 werd hij bij een staatsgreep afgezet. Hij werd korte tijd gedetineerd
en uitgesloten van politieke activiteit. Achter de schermen richtte
hij de Partij van het Juiste Pad (DYP) op, waarvan hij in sept.
1987 weer openlijk de leiding op zich kon nemen.
Zijn Partij van het Juiste Pad (DYP) behaalde in okt. 1991 een verkiezingsoverwinning
en Demirel vormde een coalitieregering. Na de dood van president
Turgut Özal op 17 april 1993 koos het parlement hem tot president.
Ahmet Necdet Sezer

Ahmet Necdet Sezer nam op 16 mei 2000 het presidentieel mandaat
over van Süleyman Demirel. Hij was tot dan voorzitter van het
Constitutionele Hof en oogstte in 1999 waardering met zijn kritiek
op de machtige positie van het leger en de "ondemocratische
grondwet". Hierdoor verwierf Sezer zelfs de steun van de fundamentalisten
(Partij van de Deugd) hoewel hij indertijd persoonlijk de Welvaartspartij
(Refah) verboden had. Stafchef, generaal Kivrikoglu liet al weten
Sezer "nauwgezet te zullen volgen".
Sezer werd in Afyon geboren en begon na, studies in de rechten,
een loopbaan als rechter in Ankara. In 1988 werd hij lid van het
Constitutioneel Hof, waarvan hij tien jaar later de voorzitter werd.
Algemeen
Turkije heeft een vrijemarkteconomie, waarin de particuliere sector
overheerst. Door de associatie met de EU, een planmatig ontwikkelingsbeleid
en toenemende inkomsten uit gastarbeid werd vanaf 1965 jaarlijks
een bevredigende economische groei gerealiseerd. Na de coup van
1980 werd volgens IMF-recept een drastisch economisch herstructureringsprogramma
doorgevoerd. Dit was gericht op exportbevordering, beteugeling van
de inflatie en bezuinigingen. De rente werd verhoogd en de lonen
bevroren en subsidies op landbouwproducten afgeschaft. Turkije wilde
buitenlandse investeringen aanmoedigen. De overheidsuitgaven werden
vooral gericht op investeringen in de infrastructuur (grote stuwdam-
en wegenbouwcomplexen) en het toerisme. Deze economische politiek
leverde aanvankelijk succes op: de export groeide, het tekort op
de betalingsbalans liep terug en de inflatie daalde. Maar na 1985
namen inflatie en werkloosheid weer toe en daalde de koopkracht.
De buitenlandse investeringen vielen tegen en de buitenlandse schuldenlast
was opgelopen tot $ 73,6 miljard in 1995. In 1997 was de economie
echter weer met ruim 5% gegroeid en schommelde de officiële werkloosheid
rond de 6,5%. De inflatie bleef met 80% hoog. Van de bevolking is
bijna de helft werkzaam in de agrarische sector, waarvan de productiviteit
(16% van het bnp) niet erg hoog is. Ongeveer 20% van de beroepsbevolking
werkt in industrie en mijnbouw, die ca. 30% bijdraagt aan het bnp.
De dienstensector en het overheidsapparaat zijn relatief omvangrijk
(31% van de beroepsbevolking, 52% van het bnp). Veel inkomsten krijgt
Turkije uit het toerisme (in 1995 $ 5 miljard) en de overmakingen
van gastarbeiders.
Bankwezen
Het bankwezen wordt sinds 1931 beheerst door de Merkez Bankasi,
de centrale bank. Er zijn ca. 60 grote (ook internationale) bankinstellingen.
De Etibank verschaft kredieten voor mijnbouw en energie, de Sümerbank
voor industrie. Ook voor landbouwkredieten bestaat een staatsbank.
De grootste commerciële bank is de Türkiye Is Bankasi.
Landbouw, veehouderij, bosbouw en visserij
De productie van de agrarische sector maakt Turkije vrijwel autarkisch
op het gebied van de voedselvoorziening. Ongeveer eenderde deel
van het totale grondgebied is in cultuur gebracht, waarvan echter
grote delen te lijden hebben onder erosie en verwaarlozing. Er wordt
relatief weinig gebruik gemaakt van irrigatie. De meeste bedrijven
zijn vrij klein; 50% van de boeren bezit minder dan 5 ha land. Ongeveer
eenderde deel van de agrarische beroepsbevolking bestaat uit pachters
of landloze arbeiders. Ondanks landhervormingen (bijv. in 1945 en
1973) is de ongelijke verdeling van grond blijven bestaan. De versnippering
staat grootschalige gemechaniseerde landbouw vaak in de weg. Sinds
1963 bestaan er verschillende vormen van agrarische coöperaties.
De agrarische productie, overwegend voor de binnenlandse markt,
groeide in de jaren tachtig gemiddeld 4% per jaar. Het aandeel van
landbouwproducten in het exportpakket daalde. Met de voltooiing
van de Atatürkdam in Oost-Turkije hoopt men in de jaren negentig
het landbouwareaal en daarmee de productie aanzienlijk te kunnen
uitbreiden.
De helft van de landbouwgronden, vooral op het centrale hoogland,
wordt benut voor de verbouw van granen, vooral tarwe en in mindere
mate gerst, rogge en haver. Langs de Zwarte-Zeekust worden maïs
en thee verbouwd. Lokaal produceert men rijst en suikerbieten. In
de vruchtbare streken langs de Egeïsche en de Zwarte Zee is groenteteelt
en worden druiven, vijgen en olijven verbouwd. Bij Trabzon worden
op grote schaal hazelnoten geteeld, terwijl Samsun bekend is om
zijn tabaksproductie. De productie van papaver voor de farmaceutische
industrie (opium), tussen 1972 en 1974 verboden, geschiedt onder
staatstoezicht, vooral nabij Afyon. Vooral de productie van het
belangrijkste exportproduct katoen (omgeving Izmir en Adana) neemt
mede door de mechanisatie toe. Veehouderij heeft vooral plaats op
de hoogvlakte. Bijna 50 miljoen schapen van het Karamantype leveren
melk, vlees en huiden. Een betere kwaliteit wol leveren de bij Bursa
geïntroduceerde merinoschapen. De angorageit levert de mohairwol.
Overbegrazing vormt in Turkije een probleem. Bosbouw is van betekenis
voor de productie van timmer- en brandhout. Ongeveer eenvierde deel
van het landoppervlak bestaat uit bosgebied. 85% van alle bossen
zijn staatsbezit. Visserij rond Istanbul, langs de Zwarte-Zeekust
en de Golf van Iskenderun is van geringe betekenis, mede door eerdere
overbevissing.
Mijnbouw en energievoorziening
Vooral het oostelijk gedeelte van Turkije is rijk aan delfstoffen.
Chroom wordt hoofdzakelijk gewonnen in het zuidoosten (bij Iskenderun),
bij Antalya en rond Eskishehir. Turkije is de vierde chroomproducent
van de wereld. De Turkish Iron and Steel Corporation exploiteert
ijzererts tussen Sivas en Erzurum. Langs de kust van de Zwarte Zee
wordt een slechte kwaliteit steenkool gedolven. In West-Anatolië
vindt in dagbouw bruinkool(ligniet)winning plaats (Turkije is de
zevende bruinkoolproducent van de wereld). De betekenis van de bauxietwinning
is aanzienlijk toegenomen. Voorts worden er nog koper, zink, fosfaat,
wolfraam, magnesium en kwik gedolven. In het zuidoosten, bij Iskenderun
en Batman, wordt aardolie gewonnen, maar de reserves zijn niet groot.
Er zijn aardolieraffinaderijen te Mersin, Izmit, Batman en Aliaga
(bij Iskenderun). Een pijpleiding verbindt de olievelden van Batman
met de haven Dörtyol. Sinds 1977 is er een pijpleiding die de olievelden
van Kirkuk (Irak) verbindt met Iskenderun. Volgens een wet uit 1980
zijn buitenlandse investeringen in de winning van delfstoffen in
Turkije mogelijk tot 49%. De staat is bij de delfstofwinning betrokken
via o.a. de Mining Investment Bank en de Turkish Petroleum Corporation.
De energievoorziening vindt plaats door eigen en bovenal geïmporteerde
aardolie (vooral uit Irak en Iran), brandhout en steenkool. In toenemende
mate wordt ook energie opgewekt door middel van waterkrachtcentrales.
Het Grote Anatolië Project, (GAP) met de bouw van een stuwdammencomplex
in de Eufraat, moet voor een aanzienlijke uitbreiding van de productie
van hydro-energie leiden (Keban-, Karakaya- en Atatürkdam). Er zijn
contracten gesloten met een aantal voormalige sovjetrepublieken
betreffende de levering van aardolie en -gas.
Industrie
Het kleinbedrijf (minder dan vijf werknemers) overheerst. De voornaamste
bedrijfstakken zijn de katoen- en de confectie-industrie, die tevens
een groot deel van de industriële export voor hun rekening nemen.
Grote ijzer- en staalfabrieken bevinden zich in Iskenderun, Eregli
en Karabük. Er zijn enkele tientallen cementfabrieken. De suiker-
en papierindustrie (Izmir) zijn in staatshanden, evenals de petrochemische
industrieën in Izmit en Aliaga. De auto-industrie, vnl. assemblage,
komt op in de grote steden. De meeste industrie (tabak, chemie,
farmacie, kunstmest, leer, glas, frisdranken, verwerkende industrie)
is geconcentreerd in de grote steden Istanbul, Ankara en Izmir.
Nieuwe industriële centra zijn Iskenderun en Adana. Naast de gemechaniseerde
industrie is het traditionele ambacht nog sterk vertegenwoordigd.
Handel
Vraag een Turk wat zijn beroep is, dan is er een gerede kans dat
hij 'handelaar' zegt. Turkije is het land van de handel, de hele
bevolking lijkt zich met deze bedrijfstak bezig te houden. In de
kleine steegjes van Istanbul zijn overdekte bazaars, waarin alles
beweegt. de handelaars verkopen eau de cologne, zakmessen, gebakjes,
Turks fruit (Lokum), aanstekers, tassen, wasmachines, tapijten,
noem maar op. De handelsgeest is ontstaan tijdens de Osmaanse Rijk,
toen er een vrije markteconomie was. Ook nu nog gaan de goederen
driftig van hand tot hand. Het overhandelen over de prijs neemt
daarbij een belangrijke plaats in. Nu is het zo dat er in Turkije
al lang vaste prijzen bestaan van normale gebruiksgoederen, maar
op de markt of in een klein snuisterijenwinkeltje kunnen de toeristen
proberen wat van de prijs af te knabbelen. Afdingen heet het. De
verkopers zijn uiterst geraffineerd, klagen steen en been als er
een te lage prijs wordt gevraagd, maar het hoort allemaal bij het
spel. Vooral de tapijthandelaren uit Kayseri kunnen er wat van.
De tekorten op de handelsbalans worden voor een belangrijk deel
goedgemaakt door inkomsten uit toerisme en gastarbeid. De export,
die vroeger hoofdzakelijk bestond uit landbouwproducten (katoen,
graan, noten, tabak) is in de jaren tachtig gediversifieerd. Vooral
de export van textiel en metaal nam toe. De voornaamste afnemers
zijn Duitsland (22%), Italië (7%), de Verenigde Staten (7%) en landen
in het Midden-Oosten (8%). De voornaamste importartikelen zijn aardolie,
machines, auto's en chemische producten. De belangrijkste leveranciers
zijn Duitsland (16%), de Verenigde Staten (10%) en de EU-landen.
Verkeer
Er is een uitgebreid net van verkeersverbindingen. Het spoorwegnet
van ca. 9000 km wordt beheerd door de staatsspoorwegmaatschappij
TCDD. Er is een wegennet van ca. 60.700 km geasfalteerde en 172.000
km verharde weg. Sinds 1978 zijn er nieuwe bruggen over de Gouden
Hoorn en de Bosporus in Istanbul. Het interlokale wegverkeer wordt
verzorgd door een reeks efficiënt werkende particuliere busondernemingen
en (groeps)taxi's. Er zijn internationale luchthavens te Yesilkoy
(Istanbul), Esenbôga (Ankara), Adnan Menderes (Izmir), Adana, Dalaman,
Erzurum en Antalya en 17 vliegvelden voor binnenlandse vluchten.
De nationale luchtvaartmaatschappij is Türk Hava Yollari (THY, Turkish
Airlines).
Seldjoeken
Seldjoeken, Turks geslacht dat in het begin van de 11de eeuw de
leiding kreeg over de in West-Toerkestan nomadiserende Ghoezen.
De stamvader was Seldjoek (midden 10e eeuw), maar als de eigenlijke
grondlegger van hun macht geldt Tughrul Bey, kleinzoon van Seldjoek,
die in de eerste helft van de 11de eeuw Perzië met de aangrenzende
gebieden onderwierp en Bagdad van hem afhankelijk maakte. In 1058
werd Tughrul kalief van Bagdad. Met deze Seldjoekenverovering van
Perzië begon de overheersing van het Turkse element in het oosten
van de islamitische wereld. Na het bewind van de sultans Alp Arslan
(1063-1072) en Malik Sjah (1072-1092) kwam er een einde aan de eenheid
van het Seldjoekenrijk. In de 12de eeuw viel het uiteen onder verschillende
nevenlinies van het geslacht, zoals de Seldjoeken van Kirman (1041-1186),
van Irak (1118-1194) en van Syrië (1078-1117). Een zeer belangrijke
neventak was die van de zgn. Roem-Seldjoeken, die in de loop van
de 12de eeuw bijna geheel Klein-Azië veroverden en tot ca. 1302
vanuit de hoofdstad Konya over dit gebied heersten. Zij waren de
voorlopers van de Osmaanse Turken.
Beeldende kunst
De belangrijkste vernieuwingen en tevens de belangrijkste bewaard
gebleven kunstwerken zijn te vinden in de - sacrale - architectuur,
waarbij de Seldjoeken een geheel nieuw element invoerden: de decoratie
van zowel in- als exterieur met baksteenpatronen en geglazuurde
tegels.
Perzië
In Perzië ontwikkelden de Seldjoeken een nieuw type moskee, teruggaande
op paleizen der Sassaniden, met een centrale open binnenplaats waarop
vier grote liwans uitkomen; de liwans, aanvankelijk vrij strak,
werden in de loop van de ontwikkeling steeds rijker versierd (stalactietgewelf).
Belangrijkste voorbeeld van een zgn. liwanmoskee is de Vrijdagmoskee
of Masdjid-Djoem'a te Isfahan (1088). Ook naar de koepelbouw ging
hun hernieuwde belangstelling uit (Masdjid-i-Djoem'a te Qazvin,
1113). De Seldjoeken creëerden de madrasa als nieuw type gebouw,
waarbij vrijwel dezelfde architectonische principes werden gebruikt
als bij de moskee (voorbeelden te Nisjapoer, Toes en Bagdad).
Ook ontwikkelden zij een nieuw islamitisch grafmonument: de goembat
of türbe, een meestal ronde, soms stervormige of meerhoekige (graf)toren,
vaak twee verdiepingen hoog, voorzien van een kegelvormig dak. De
enkele toegangsdeur leidt naar de (op de bovenste verdieping gelegen)
grafkamer. In tegenstelling tot de graftorens uit Anatolië waren
ze in Perzië meestal weinig versierd, soms alleen maar met een inscriptieband.
De Goembat-i-Qaboes (1006) en de toren bij Radkan (1281) in Oost-Perzië
behoren tot de fraaiste voorbeelden. De laatste toont vrij duidelijk
de vermoedelijke herkomst van dit vreemde gebouw: de oude Mongoolse
nomadentent. De belangstelling voor de koepel deed hen ook koepelgraven
bouwen, uiterlijk bijna niet te onderscheiden van de graftorens.
Van de toegepaste kunsten dienen vooral aardewerk en metaalwerk
vermeld te worden. Van de aardewerkproductie waren de centra Rajj
en Kashan. Het aardewerk werd vervaardigd op verschillende wijzen,
waarvan de 'lakabi-waar' (= beschilderd), de China-imitaties en
de minai-waar (geëmailleerd), de voornaamste zijn. Hun metaalwerk,
vnl. tafelgerei, is in brons, goud of zilver, met gegraveerde decoratie
of met zilver of goud ingelegd.
Anatolië
In Anatolië waren de Roem-Seldjoeken, vooral wat betreft de structuur
van moskeeën en madrasa's en de motieven van beeldhouwwerk en mozaïek,
erg afhankelijk van het Oosten, m.n. van Perzië. De architectuur,
ook hier de belangrijkste kunstvorm, is nochtans duidelijk te onderscheiden
van de Perzische, o.m. in de Byzantijnse invloed, herkenbaar in
het gebruik van natuursteen in plaats van baksteen, en tevens in
bepaalde technieken en stijlen. Wat de sacrale architectuur betreft,
hielden de Roem-Seldjoeken vast aan de schema's van de koefa- en
de transeptmoskee, zonder de liwans over te nemen. Kenmerkend voor
het eerste type zijn de Grote Moskee te Sivas en de Ala'eddin-moskee
te Konya; voor het tweede type is de moskee te Diyarbakir karakteristiek.
Ook bij de madrasa's kunnen we twee types onderscheiden: één met
open voorhof (= Perzisch type), zoals de Tshift Minare te Erzurum,
en een tweede met een gesloten koepelruimte (Turks type), zoals
de Büyuk Karatay te Konya. Het meest kenmerkende gebouwentype van
de Roem-Seldjoeken is echter de karavanserai of chan. Deze meestal
vestingachtige gebouwen, opgericht langs de belangrijkste karavaanwegen,
op ongeveer 30 km van elkaar, hebben alle ongeveer hetzelfde bouwschema:
rechthoekig, slechts één ingang aan de smalle zijde, waarlangs men
een open hof bereikt waarop de vertrekken uitkomen, en achteraan,
aan de andere smalle zijde, een grote overkoepelde centrale hal.
Er was ook steeds een kleine moskee bij het gebouw. Langs de weg
van Konya tot Kayseri staan de fraaiste, waarvan de Sultan Han uit
1229 de meest bekende is.
Deze drie gebouwentypes, moskeeën, madrasa's en chans, hebben als
gemeenschappelijk kenmerk de rijkelijk uitgewerkte toegangspoorten
volgens een geheel nieuwe stijl: rechthoekig grondplan, stalactietnis
aan de bovenzijde en omlijsting van kleine zuilen. Omdat de Roem-Seldjoeken
gewoonlijk de stichter van een madrasa begroeven in de buurt van
zijn school, komen ook talrijke goembats of graftorens voor.
Van hun paleizen en militaire bouwwerken geven nog slechts vnl.
ruïnes een indruk, te Konya, Kayseri, Diyarbakir en Koebadabad;
alleen in de havenstad Alanya bleef een Roem-Seldjoekse vesting
intact (citadel, toren, scheepswerf). Aan toegepaste kunstvoorwerpen
zijn van de Roem-Seldjoeken eveneens artistiek hoogstaande keramiek,
houtsnijwerk en textiel bekend. In het Museum voor Turks-islamitische
kunst in Istanbul, het ethnografisch museum te Ankara en het Mevlana-museum
te Konya zijn mooie collecties bewaard.
Syrië en Irak
De Seldjoeken van de andere nevenlinies, vooral in Syrië en Irak,
hielden trouwer vast aan de traditionele moskee- en madrasabouw.
Pas laat, in de 13de eeuw, verscheen met de Roekh-moskee te Damascus
een eerste koepelmoskee. In Mosoel, Bagdad en Aleppo zijn verder
nog mooie voorbeelden van militaire en civiele architectuur bewaard.
Ten slotte valt nog te vermelden de miniatuurschilderkunst (School
van Bagdad, 13de eeuw), de reliëfkeramiek en het bronsinlegwerk
uit Mosoel, en het geëmailleerde en vergulde glas uit Aleppo, dat
sinds de 12de eeuw het glascentrum bij uitstek was.
Osmaanse Rijk
|
De bakermat van Turkije
was een van de vele kleine vorstendommetjes die zich na het
uiteenvallen van het Seldjoekenrijk in Klein-Azië hadden gevormd.
Hierover aanvaardde ca. 1300 Osman de macht (vandaar de namen
Osmaanse of Ottomaanse Rijk en Osmaanse of Ottomaanse Turken.
Vastberaden breidde Osman het staatje uit, vooral ten koste
van Byzantijns gebied. Omstreeks 1326 werd Broessa (Bursa)
ingenomen, dat tot hoofdstad werd uitgeroepen. |
|
| Osmans zoon
en opvolger Orhan (regeerde 1323/1324-1360) ondernam de eerste
invallen aan de overkant van de Hellespont. Moerad (Murad)
I (1360-1389) en Bajezid (Bayezid) I (1389-1402) maakten in
deze richting geweldige veroveringen (Bulgarije, Servië;Slag
bij Kosovo Polje, 1389). Edirne,
veroverd in 1362, werd de Europese hoofdstad. Bajezid breidde
de veroveringen uit tot Griekenland en in het noorden tot
de Donau, waar hij in 1396 bij Nikopolis de verbonden Franse,
Hongaarse en Duitse legers versloeg. In Klein-Azië werden
de meeste Turkse vorstendommetjes geannexeerd of veroverd.
In de Slag bij Ankara (1402) werd Bajezid echter door Timoer
Lenk gevangen genomen, waarna zijn zoons vluchtten.
Bajezids zoon Mehmed I wist in 1413 het rijk te herstellen
(regeerde tot 1421). Onder Moerad (Murad) II (1421-1444;
1446-1451) werd de restauratie voltooid en begonnen de veroveringen
weer (Saloniki). In Albanië waren de Osmanen intussen met
Venetië en aan de Donau met Hongarije in conflict geraakt.
Een belangrijke uitbreiding van het grondgebied brachten
de veroveringen van Mehmed II (1444-1446; 1451-1481). In
1453 nam hij Constantinopel in, gevolgd door de verovering
van de rest van het Byzantijnse gebied. In 1467 breidde
hij de Turkse macht uit naar het oosten (Kastamonu, Trebizonde
= Trabzon).
Op het Balkanschiereiland ontnam hij Venetië grondgebied.
Voorts maakte hij Moldavië en Walachije voorgoed schatplichtig.
Onder Selim I (1512-1520) kwam het rijk in conflict met
Perzië. In 1514 werd de Perzische sjah bij Tsjaldiran verslagen,
wat de Osmaanse macht in Zuidoost-Turkije en het noorden
van Mesopotamië bevestigde. In 1516 veroverde Selim Syrië
op Egypte en in 1517 Egypte zelf. Arabië (met Mekka en Medina)
erkende de Osmaanse opperheerschappij.
Onder sultan Süleyman I (1520-1566) kreeg het Osmaanse Rijk
zijn grootste uitbreiding en kwam tevens het regeringssysteem
tot volle ontplooiing. Hongarije werd veroverd (Slag bij
Mohács, 1526) en Wenen belegerd (1529). Tegen Perzië ondernam
Süleyman met succes een aantal veldtochten. Voorts beheerste
hij de Middellandse Zee. De sultan bezat absolute macht
(voor behoud van de eenheid doodde een nieuwe sultan zijn
broers) en regeerde met zijn gunstelingen door middel van
de twee keurkorpsen: janitsaren en sipahi's (ruiterij van
leenmannen). Een zekere sociale onafhankelijkheid genoot
de geestelijke stand van de oelama's. De talrijke christelijke
en joodse onderdanen van de sultan waren onder hun eigen
religieuze hoofden georganiseerd. Ditzelfde gold voor de
vreemdelingen, vooral kooplieden, die door hun consuls en
gezanten werden geadministreerd, tot de rechtspraak toe.
Onder Süleymans opvolgers stagneerde de uitbreiding van
het rijk. Zijn opvolger Selim II (1566-1574) liet de leiding
van de regering aan de grootvizier Mehmed Sokullu over;
onder hem leed de Turkse vloot bij Lepanto in 1571 een gevoelige
nederlaag tegen o.m. de Spanjaarden en Venetianen. De belangrijkste
buitenlandse tegenstanders waren echter tot in het begin
der 18de eeuw Oostenrijk en Perzië. De naar beide zijden
gevoerde oorlogen maakten onophoudelijk veldtochten nodig.
In de loop van de 17de eeuw werd het rijk door slecht bestuur
en militaire opstanden verzwakt. De grootviziersfamilie
van de Köprülü wist sedert 1656 krachtiger leiding te geven;
in 1669 werd Kreta op de Venetianen veroverd. Aan de westelijke
en noordelijke grenzen had het Osmaanse Rijk steeds met
geweld of diplomatie haar autoriteit weten te handhaven,
zozeer, dat ook Polen en Rusland sterk onder Osmaanse invloed
kwamen.
Een ommekeer in de machtsverhouding volgde na de in 1683
ondernomen veldtocht tegen Oostenrijk. Deze begon met de
tweede belegering van Wenen. Nadat de stad door de Polen
ontzet was, werden de terugtrekkende Turken keer op keer
verslagen, zodat zelfs een deel van Hongarije door de Oostenrijkers
werd heroverd. Een lange krijgsperiode volgde, waarin de
Turken tevens met Venetië, Polen en Rusland in oorlog raakten.
Bij de Vrede van Karlowitz (1699) moest Turkije ten slotte
zijn aanspraken op een groot deel van Hongarije opgeven,
terwijl ook de andere vijanden gebiedsvoordeel verkregen.
Aan Oostenrijk ging ook de rest van Hongarije verloren (Vrede
van Passarowitz, 1718) en op den duur bleef de Donau de
grens.
De negentiende eeuw
In het midden van de 18de eeuw ontstond weer een heftig
conflict met Perzië. De gevaarlijkste tegenstander van de
Turken werd echter Rusland. De in 1768 uitgebroken oorlog
bracht in 1774 de Vrede van Küçük Kaynarca, waarbij de Krim
en Azov voor het Osmaanse Rijk verloren gingen. Na een nieuwe
oorlog (1784-1792) werd de Dnepr de grens tussen beide rijken.
Mahmoed (Mahmud) II (1808-1839) hervormde het leger en liet
in 1826 het voor de sultan inmiddels gevaarlijk geworden,
conservatieve janitsarenkorps uitmoorden. Onder hem begon
ook de Griekse opstand, die in 1830 met de afscheiding van
Griekenland eindigde, terwijl de Vrede van Edirne (1829)
Ruslands meerderheid bewees.
In 1839 begon een nieuwe periode, Tanzimat, waarbij van
hogerhand hervormingen werden ingevoerd om het rijk te moderniseren.
Rusland bleef de gevaarlijkste tegenstander. In 1853 kwam
het met dit land tot de Krimoorlog, waarin Frankrijk en
Groot-Brittannië aan de zijde van Turkije stonden. Het einde
van deze oorlog, de Vrede van Parijs (1856), toonde de machteloosheid
van de sultan (Walachije, Moldavië en Servië werden autonoom).
Hervormingen in westerse zin, geproclameerd door Abdül-Medjid
(Abdül-Mecid) (1839-1861), werden niet doorgevoerd en wekten
onlusten in vele delen van het rijk, die, zoals Syrië en
Arabië, naar onafhankelijkheid streefden. Sultan Abdül-Hamid
II (1876-1909) beloofde onder drang van de mogendheden en
van enkele liberalen wel hervormingen (grondwet 1876), maar
regeerde in feite reactionair en tiranniek. Opstanden op
de Balkan leidden tot ingrijpen van Rusland (Russisch-Turkse
Oorlog 1877-1878), dat tot vlak bij Constantinopel doordrong.
Het Congres van Berlijn (1878) bracht voor de sultan wel
enige verlichting, maar deze was nu geheel afhankelijk van
de mogendheden. Cyprus kwam onder Brits bestuur, Bosnië
onder dat van Oostenrijk-Hongarije, Griekenland kreeg uitbreiding
van gebied. Roemenië werd geheel onafhankelijk en Bulgarije
werd een autonome provincie. Daarna volgden nieuwe moeilijkheden:
in 1882 werd Egypte onder Brits beheer geplaatst; in 1897
ontstond oorlog met Griekenland, waardoor Kreta onder een
Griekse gouverneur kwam. In 1905 werd de Balkankwestie buiten
de sultan om geregeld. Een Jong-Turkse beweging (zie Jong-Turken),
die door liberale hervormingen de nationale kracht wilde
versterken, werd gesteund door de mogendheden: in 1908 moest
Abdül-Hamid de grondwet van 1876 werkelijk invoeren (hij
werd in 1909 afgezet, omdat hij de reactie weer steunde).
Turkije was inmiddels financieel geheel afhankelijk van
de mogendheden en ging gebukt onder een zware schuldenlast.
Duitse officieren waren intussen belast met de hervorming
van het leger. In 1911 viel Italië Turkije in Tripoli aan,
een oorlog die leidde tot het verlies van dit land en van
de Dodekanesos. Griekenland, Bulgarije en Servië ontketenden
de Eerste Balkanoorlog (1912-1913), die na een korte vrede
het Turkse Rijk in Europa reduceerde tot een klein gebied
rondom Constantinopel. In de Eerste Wereldoorlog koos Turkije,
onder aandrang van de toen machtige Jong-Turken, de zijde
van Duitsland. De Dardanellen werden met succes verdedigd,
op de Balkan en in het oosten werden eerst enige successen
behaald, maar ten slotte drongen de geallieerden in het
oosten op. Arabië maakte zich onafhankelijk en in oktober
1918 moest Turkije capituleren. Bij het Vredesverdrag van
Sèvres behield het alleen Constantinopel en Klein-Azië zonder
de westelijke kuststrook.
Tegen de afloop van de oorlog kwam het nationalisme in verzet.
Hierin vervulde Mustafa Kemal Ataturk (na 1934 Kemal Atatürk
geheten) de hoofdrol. Een in Ankara bijeengekomen Nationale
Vergadering proclameerde zich tot staatshoofd en begon de
strijd tegen de Grieken (1920), die eindigde met de verovering
van Izmir. De geallieerden legden zich hierbij neer, en
bij het (nieuwe) verdrag, vastgesteld op de Conferentie
van Lausanne (1923), behield het volledig onafhankelijke
Turkije het in de wereldoorlog veroverde en ook Edirne en
Cilicië. Intussen had een tweede Nationale Vergadering sultan
Mehmed VI (1918-1922) afgezet.
De republiek tot 1950
Op 29 oktober 1923 werd een republikeinse grondwet geproclameerd.
Atatürk werd president, Ankara hoofdstad. Atatürk wilde
door modernisering naar westers voorbeeld cultuur en welvaart
herstellen. Er kwam een scheiding tussen moskee en staat;
het kalifaat werd afgeschaft, evenals andere uit de islam
voortvloeiende functies.
Andere verboden betroffen de derwisj-orden en het dragen
van sluier en fez. Het Latijnse alfabet werd ingevoerd en
vooral aan het volksonderwijs werd grote zorg besteed. Met
het oog op de economische ontwikkeling werd begonnen met
de aanleg van een spoorwegnet in Anatolië. In 1932 trad
Turkije toe tot de Volkenbond en in 1934 sloot het zich
aan bij het Balkan-pact tegenover het op de Balkan opdringende
Italië.
In 1936 verwierf Turkije het recht van militarisatie van
de zee-engten. In oktober 1939 sloot Turkije met Frankrijk
en Groot-Brittannië een wederzijds bijstandsverdrag. Inmiddels
was in 1938 Atatürk overleden. Hij werd als president opgevolgd
door Ismet Inönü. Hij zette de politiek van Atatürk voort:
antireligieuze maatregelen en begunstiging van de officiële
politieke partij, de Republikeinse Volkspartij.
In de Tweede Wereldoorlog bleef Turkije tot kort voor het
eind militair neutraal. Wel zag het zich gedwongen tot het
sluiten van een niet-aanvalsverdrag en van handelsverdragen
met Duitsland. In 1944 wisten de geallieerden Turkije aan
hun zijde te brengen, maar eerst in februari 1945 verklaarde
het de oorlog aan Duitsland. Daardoor kon Turkije direct
lid worden van de Verenigde Naties. De eerste jaren na 1945
was er voortdurend sprake van een gespannen verhouding met
de Sovjet-Unie. Op militair, economisch en financieel (Marshallhulp)
gebied raakte het land meer en meer afhankelijk van de Verenigde
Staten. In 1949 trad Turkije toe tot de Raad van Europa.
Op binnenlands politiek terrein deed zich tussen 1945 en
1950 een aantal belangrijke veranderingen voor. In 1946
werd de kieswet herzien, waarbij de vorming van nieuwe politieke
partijen werd toegestaan. Bij de verkiezingen van dat jaar
verzekerde de Volkspartij zich weliswaar van de meerderheid
van de zetels, maar de Democratische Partij onder leiding
van Celâl Bayar boekte met 65 zetels een aanmerkelijk succes.
Op instigatie van de Democratische Partij kwam in juli 1948
een nieuwe kieswet tot stand, met geheime verkiezingen en
openbare stemmentelling. In de periode tot 1950 kwam voorts
een einde aan de antireligieuze maatregelen.
De republiek na 1950
Bij de verkiezingen van mei 1950 behaalden de Democraten
een enorme meerderheid van 407 van de 487 zetels in de Nationale
Vergadering. Bayar volgde Inönü als president op en er werd
een nieuwe regering gevormd met Adnan Menderes als premier.
Deze volgde een wat liberalere economische politiek en trad
krachtig op tegen religieuze groeperingen die tal van bereikte
hervormingen van de Turkse revolutie afgeschaft wilden zien.
Bij de verkiezingen van mei 1954 behaalden de Democraten
opnieuw een overwinning. De regering voerde daarna een aantal
wetten door die haar bevoegdheden sterk uitbreidden. De
persvrijheid werd sterk aan banden gelegd. Dit alles bracht
een gespannen verhouding teweeg tussen de regering en de
oppositie. O.m. door de verslechterende economische situatie
en de invoering en wijziging van een aantal wetten in juni
1956 (o.a. met betrekking tot de persvrijheid en het recht
op openbare vergadering) werd de relatie tussen de Democraten
en de oppositie nog gespannener.
De Democratische regeringen volgden een buitenlands beleid
dat sterk op het Westen georiënteerd was. In 1952 trad Turkije
toe tot de NAVO, in 1955 tot het Pact van Bagdad (later
Centrale Verdragsorganisatie). In het begin van de jaren
zestig werd de verhouding met de Sovjet-Unie beter.
Op 28 april 1960 demonstreerden studenten in Istanbul tegen
de regering van Menderes. Op 27 mei 1960 pleegde een groep
officieren onder leiding van generaal Cemal Gürsel een staatsgreep.
De regering werd vervangen door een Comité van Nationale
Eenheid onder leiding van Gürsel, die de functies van president,
premier en minister van Defensie op zich nam. In januari
1961 werd een nieuwe Vergadering bijeengeroepen die als
tijdelijk parlement moest fungeren, op 26 mei 1961 werd
een nieuwe grondwet goedgekeurd, die o.m. voorzag in een
twee kamers tellende wetgevende macht. Inmiddels werd een
groot aantal leden van het afgezette Menderesregime tijdens
een monsterproces berecht.
Op 15 september werden er o.m. vijftien mensen ter dood
veroordeeld, een vonnis dat bij twaalf van hen, onder wie
president Bayar, werd veranderd in levenslang. Menderes
werd met anderen opgehangen (in 1962 en 1966 werd amnestie
verleend, o.a. aan Bayar). Op 25 oktober 1961 werd het Parlement
geopend en werd de macht door de militairen overgedragen
aan de burgers.
Op 26 oktober werd generaal Gürsel, als enige kandidaat,
gekozen tot president van de republiek. Inönü, de leider
van de Volkspartij, zou aan het hoofd van drie achtereenvolgende
kabinetten tot februari 1965 aan het bewind blijven. Hij
werd geconfronteerd met de kwestie Cyprus, die binnenslands
leidde tot gewelddadige protesten tegen de Verenigde Staten
en Groot-Brittannië. In april 1965 werden de meeste Grieken
uit Turkije gezet als represaille tegen Griekse maatregelen
met betrekking tot de Turkse gemeenschap op Cyprus.
Een overwinning van de Gerechtigheidspartij (AP) bij de
verkiezingen van okt. 1965 bracht de leider van die partij,
Süleyman Demirel, aan het bewind. Hij slaagde er niet in
de economische problemen het hoofd te bieden. Demirel knoopte
betere betrekkingen aan met verscheidene Oost-Europese en
Arabische staten. In maart 1969 werd een nieuwe defensieovereenkomst
gesloten met de Verenigde Staten, waarbij Turkije meer zeggenschap
kreeg over de Amerikaanse militaire bases in Turkije.
Aan het einde van de jaren zestig werd de Turkse democratie
van binnen uit bedreigd. Extreem linkse en rechtse groeperingen
kwamen herhaaldelijk met elkaar in botsing. De linkse groeperingen
streefden o.m. naar het verbreken van de militaire banden
met het Westen, bepaalde extreem rechtse groeperingen verlangden
de terugkeer naar een theocratie en een totalitair systeem,
gebaseerd op de islam en pan-turkisme. Botsingen tussen
deze groeperingen leidden begin jaren zeventig tot grote
binnenlandse politieke spanningen.
De verslechterde economische toestand veroorzaakte grote
onrust. Demonstraties van studenten en arbeiders tegen de
voorgestelde amendementen op de Wet voor Vakbonden deden
de regering de noodtoestand in verscheidene provincies afkondigen.
In Oost-Turkije ontstond een gespannen situatie door de
activiteiten van de terroristische afscheidingsbeweging.
In de steden opereerde een linkse ondergrondse guerrillabeweging,
het Turkse Volksbevrijdingsleger, die ook aan de universiteiten
sympathie ontmoette.
Op 12 maart 1971 nam het leger het heft in handen: de regering-Demirel
werd tot aftreden gedwongen. Op 26 maart werd een nieuw
coalitiekabinet geïnstalleerd met Nihat Erim als premier.
Binnen het leger vonden uitgebreide zuiveringen plaats.
In april 1971 werd de staat van beleg afgekondigd voor 11
van de 67 provincies. In maart 1972 werden 57 officieren
uit het leger ontslagen op beschuldiging wapens te hebben
verstrekt aan de stedelijke guerrillero's, ongeveer een
maand later nam Erim ontslag.
In mei 1972 maakte Ferin Melen als premier de samenstelling
van een nieuw kabinet bekend. Naar aanleiding van de opvolging
van de sedert 1966 zittende president C. Sunay ontstond
een politieke strijd tussen het parlement en het leger.
Ten slotte werd een compromiskandidaat, senator en oud-admiraal
Fahri Korutürk, tot president gekozen (april 1973).
Op 25 januari 1974 vormde Bülent Ecevit (Republikeinse Volkspartij,
CHP) met de Partij voor Nationale Redding (NSP) een coalitieregering.
Na een pro-Griekse staatsgreep op Cyprus greep Turkije op
20 juli 1974 in ten gunste van de Turkse gemeenschap aldaar.
De invasie en de daaropvolgende bevrijding van een deel
van het eiland brachten een verkoeling teweeg in de betrekkingen
met de Verenigde Staten. Deze besloten tot een wapenembargo
tegen Turkije, dat pas in 1978 zou worden opgeheven.
De betrekkingen met Europa werden echter nauwer aangehaald
en er werd tevens toenadering gezocht tot de Sovjet-Unie.
In september 1974 kwam het kabinet-Ecevit door een conflict
tussen de coalitiepartners ten val. Pas op 31 maart 1975
slaagde Demirel (AP) erin een coalitie te vormen met de
NSP, de Nationale Actie Partij (NAP) en een rechtse splinterpartij.
Hij zocht toenadering tot de islamitische wereld. De spanning
met NAVO-partner Griekenland nam toe, niet alleen wegens
de kwestie-Cyprus, maar ook door een conflict over het continentaal
plat in de Egeïsche Zee, waar aardolie was aangetroffen.
In het binnenland bleek de geweldsspiraal tussen links-
en rechts-radicale groepen niet meer te stuiten. De 1-mei-viering
in 1977 in Istanbul liep uit op een bloedbad. Bij de gewelddadig
verlopen vervroegde verkiezingen op 5 juni 1977 behaalde
de CHP een overwinning, maar geen absolute meerderheid.
Daardoor kon Demirel zijn coalitieregering voortzetten tot
hij in december 1977 bij een tussentijdse verkiezing de
kamermeerderheid verloor. Ook het nieuwe kabinet, dat Ecevit
op 5 januari 1978 met dissidenten uit de AP vormde, bleek
niet bij machte het toenemend geweld te beheersen. In het
najaar van 1978 kwam het tot gewelduitbarstingen. In steeds
meer provincies en steden werd de staat van beleg afgekondigd.
Na een nederlaag bij tussentijdse verkiezingen bood Ecevit
op 14 oktober 1979 zijn ontslag aan. Op 12 november vormde
Demirel een minderheidskabinet van uitsluitend AP-ministers.
De jaren tachtig en negentig
In 1979 bereikte de Turkse economie een dieptepunt met een
inflatie van bijna 100%, gigantische werkloosheid en gebrek
aan eerste levensbehoeften. Het overheidsgezag werd door
straatterreur en politiek geweld steeds verder ondermijnd.
De door de overheid nauwelijks bestreden activiteiten van
de Grijze Wolven en die van de marxistische Dev Sol eisten
honderden slachtoffers (onder wie op 19 juli 1980 oud-premier
Nihat Erim).
In januari 1980 was het tot een bloedige opstand gekomen
in Izmir. Na het verstrijken van de ambtstermijn van president
Korutürk in april 1980 kon men het in het parlement echter
niet eens worden over de keuze van een nieuwe president.
Na een militaire staatsgreep op 12 september 1980 nam een
Nationale Veiligheidsraad onder stafchef generaal Kenan
Evren de macht over. Voor het hele land werd de staat van
beleg afgekondigd en alle politieke activiteiten werden
verboden. Evren, die zelf president werd, stelde zich ten
doel de politieke terreur te bestrijden en de economie te
saneren. Er werden talrijke zoekacties naar wapens gehouden
en tienduizenden arrestaties verricht. Tal van politici,
vakbondsleiders en politieke activisten moesten zich voor
militaire rechtbanken verantwoorden.
Op 7 november 1982 werd een nieuwe grondwet per referendum
goedgekeurd, hieraan was de verkiezing van generaal Kenan
Evren tot president gekoppeld. Er was veel kritiek op beperkingen
die aan politieke partijen en vakbonden waren opgelegd,
het trage tempo van de democratisering en op de situatie
van de mensenrechten. Niettemin werd aanvankelijk een tamelijk
succesvol economisch beleid gevoerd door minister van Economische
Zaken, Turgut Özal, en konden orde en rust in het land goeddeels
hersteld worden.
In mei 1983 konden binnen de beperkingen van een Wet op
de Politieke Partijen weer partijen worden opgericht. In
november 1983 behaalde de Moederlandpartij van Özal een
absolute meerderheid, waardoor deze benoemd werd tot premier
en de macht van het leger wat verder kon terugdringen. Per
referendum werd in september 1987 het verbod op politieke
activiteiten van de oude partijleiders opgeheven, waarbij
vooral oud-premier Süleyman Demirel op grote electorale
steun bleek te kunnen bogen. Door de economische teruggang
en toenemende problemen daalde in de twee de helft van de
jaren tachtig de populariteit van Özal. Eind 1989 liet hij
zich door het, toen nog door zijn Moederlandpartij beheerste,
parlement tot president kiezen. De persoonlijke leiderschapsstijl,
zijn eigenmachtig optreden in de buitenlandse politiek en
de groeiende invloed van de islam leverden Özal ook binnen
zijn eigen partij steeds meer kritiek op.
ln 1990 sloot Turkije in verband met de Golfcrisis de lraakse
oliepijpleiding over zijn grondgebied af. Tijdens de Tweede
Golfoorlog (1991) opereerde de geallieerde luchtmacht vanaf
Turks grondgebied. Bij de parlementsverkiezingen van 1991
werd de Partij van het Juiste Pad van Demirel de grootste
partij. Deze vormde een coalitie met de Sociaal-Democratische
Populistische Partij van prof. Erdal Inönü.
De marxistische Koerdische Arbeiderspartij (PKK) van Abdullah
Ocalan begon met een reeks aanslagen, die steeds meer het
karakter van een guerrilla ging aannemen. Bovendien werd
de Koerdische kwestie actueel door de tienduizenden Koerdische
vluchtelingen uit Irak, die in 1988 en 1991 naar Oost-Turkije
kwamen. De overheid besloot enerzijds de PKK hard te bestrijden,
maar anderzijds concessies te doen op het gebied van de
Koerdische taal, enz. Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie
knoopte Ankara nauwe banden aan met de Turks sprekende voormalige
sovjetrepublieken (Azerbajdzjan, Toerkmenistan, Oezbekistan,
Kazachstan, Kirgizië).
President Özal stierf in april 1993. Demirel volgde hem
op. De plaats van Demirel als premier werd ingenomen door
Tansu Çiller, de eerste vrouwelijke premier. De regering
van de econome Çiller - een coalitie van haar Partij van
het Juiste Pad (DYP) en de kleinere Sociaal-Democratische
Populistische Partij (SDHP) - bleek niet opgewassen tegen
de economische problemen van het land. De begroting voor
1994 vertoonde een financieringstekort van ongeveer 10%
van het bnp, waardoor de inflatie sterk werd aangewakkerd,
de koers van de lira zwaar onder druk kwam te staan en de
inflatie steeg tot boven de 100%.
Bij de in maart gehouden gemeentelijke verkiezingen boekte
de fundamentalistisch-islamitische Welvaartspartij grote
winst en veroverde in 28 steden het burgemeesterschap. De
regering ging krachtig voort met haar pogingen een einde
te maken aan de terroristische activiteiten van de PKK in
het zuidoosten van het land. De aldaar gelegerde strijdmacht
werd sterk uitgebreid en de acties tegen de gewapende terrorisctische
opstandelingen van de Koerdische Arbeiderspartij (PKK) werden
verhevigd. Desondanks pleegden de PKK een groot aantal aanslagen
om het toerisme in het nauw te brengen en zo de economische
problemen te vergroten. Hoewel plaatselijke verkiezingen
in juni 1995 winst opleverden voor de DYP van Çiller, nam
de oppositie tegen haar bewind toe. Van rechts werd zij
bedreigd door het opkomend islamitisch fundamentalisme,
terwijl ter linkerzijde veel kritiek was op het economische
beleid, dat tot een buitensporige inflatie (meer dan 70%)
en verlies van koopkracht had geleid. Ook kwam de premier
in opspraak door het enorme vermogen dat zij en haar echtgenoot
in korte tijd hadden opgebouwd.
Strubbelingen binnen de regeringscoalitie leidden in september
1995 tot de val van het kabinet-Çiller en tot vervroegde
parlementsverkiezingen in december, waarbij de fundamentalistische
Welvaartspartij (RP) van Neçmittin Erbakan als sterkste
uit de bus kwam. De twee rechtse partijen, de Moederlandpartij
van Yilmaz en de Partij van het Juiste Pad van Çiller, beschikten
niet over een meerderheid, terwijl zij een coalitie met
Erbakan niet aandurfden uit angst voor reacties uit het
bedrijfsleven en vooral van het leger, dat vanouds de beschermer
is van het seculiere politieke leven in Turkije. Uiteindelijk
slaagden de gezworen vijanden Yilmaz en Çiller erin de steun
te verkrijgen van de Democratische Linkse Partij van Ecevit
en in maart 1995 werd Yilmaz premier. In juni echter al
moest Yilmaz het ontslag van zijn regering indienen, nadat
het Constitutioneel Hof de vertrouwensstem waarmee de coalitie
aan de macht was gekomen, ongrondwettelijk had verklaard.
President Demirel belastte daarop Erbakan met de formatieopdracht.
De leider van de Welvaartspartij slaagde erin een coalitie
tot stand te brengen met de Partij van het Juiste Pad van
Çiller.
Erbakan werd de eerste islamitisch georiënteerde premier
in de geschiedenis van het seculiere Turkije. De groei van
de Welvaartspartij, de best georganiseerde politieke partij
in Turkije, werd in verband gebracht met de snelle verstedelijking
en de opkomst, vanaf 1960, van een zich gezwind ontwikkelende
middenklasse van ondernemers in de provinciesteden. In maart
was het Turkse leger begonnen met een nieuw grootscheeps
offensief tegen de PKK. Zowel bij deze actie als opnieuw
in juli drong het leger ver door op Iraaks grondgebied om
bases van de PKK aan te vallen, wat niet alleen tot Iraakse
protesten leidde, maar ook resulteerde in afkeuring van
Europese landen.
De strijd van de terroristische PKK duurde ook in 1996 onverminderd
voort. Sinds 1984 vonden daarbij ruim 30.000 onschuldige
burgers de dood, minstens een half miljoen mensen waren
gevlucht. Eind januari 1996 kwam het bijna tot een oorlog
met Griekenland om een onbewoond Turks eilandje voor de
Turkse kust (Grieks: Imia; Turks: Kardak). De toch al gespannen
relatie met Syrië verslechterde, toen Ankara Damascus beschuldigde
van steun aan de PKK en Syrië klaagde over beperking van
de waterstroom door de Eufraat en Turkije aansprakelijk
stelde voor enkele bomaanslagen in Syrië.
In februari 1997 dreigde Turkije zijn veto uit te spreken
over de beoogde uitbreiding van de NAVO als het land zelf
niet werd opgenomen in de uitbreidingsplannen van de Europese
Unie. In december van dat jaar werd Turkije in Brussel te
verstaan gegeven dat het voorlopig niet in aanmerking kwam
voor het lidmaatschap van de EU. Belangrijkste obstakels
waren de kwestie-Cyprus, de grensgeschillen met Griekenland,
en de strijd tegen PKK. Turkije was hier des te meer ontsteld
over, daar Cyprus wel tot de eerste landengroep behoort
die in aanmerking komt voor het EU-lidmaatschap.
De regering-Erbakan trad in juni 1997 af, daar zij niet
langer kon steunen op een meerderheid in het parlement.
President Demirel zag in dat om militair ingrijpen te voorkomen,
een coalitie zonder de islamitisch-fundamentalistische Welvaartspartij
van Erbakan de enige oplossing was. Mesut Yilmaz, leider
van de Moederlandpartij, stelde een coalitie samen met de
Democratisch Linkse Partij en de kleine Democratisch Turkse
Partij (beide conservatief). Maar ook de seculiere, conservatieve
Yilmaz kon geen genade vinden in de ogen van de Nationale
Veiligheidsraad. Deze raad wordt gedomineerd door het leger,
dat zichzelf ziet als de hoeder van het door de hervormer
Atatürk nagelaten seculiere stelsel. Het leger voert al
jaren een militaire campagne tegen de politieke islam en
dreigt met een staatsgreep als het seculiere karakter van
de politiek niet bewaard blijft. In 1997 en 1998 nam de
raad weer een heel pakket van maatregelen aan, die varieerde
van het verbod op het dragen van hoofddoekjes in overheidsgebouwen
en universiteiten tot een uitbreiding van het basisonderwijs,
waardoor islamitische scholen hun leerlingen zouden kwijtraken.
De regering ging er schoorvoetend mee akkoord. In de voortslepende
oorlog met de PKK viel het leger in 1997 tweemaal Noord-Irak
binnen, vanwaaruit de PKK aanvallen op het zuidoosten van
Turkije onderneemt. Het Turkse leger werd gesteund door
de Iraaks-Koerdische Partij (KDP). Als tegenprestatie bombardeerde
het leger stellingen van de rivaliserende Iraaks-Koerdische
PUK. Ook probeerde Turkije het smokkelen van Koerdische
vluchtelingen uit Noord-Irak naar Turkije en verder richting
West-Europa aan te pakken, vooral omdat de mensensmokkel
en drugshandel de belangrijkste inkomstenbronnen van de
PKK zijn. |
Algemeen
|
Turkije heeft een zeer rijk cultureel
verleden met als hoogtepunten de neolithische cultuur van
Çatal Hüyük bij Konya, het koninkrijk van de Hettieten, dat
van de Oerarteeërs, het koninkrijk Phrygie, de cultuur van
de Griekse Ioniërs, de ontwikkeling van het hellenisme met
name op stedenbouwkundig en sculpturaal gebied (Pergamum,
Priene), en, na de oudheid, de cultuur van de Seldjoeken (11de-13de
eeuw) die overging in die van de Turken onder de dynastie
van de Osmanen; in Europees Turkije was Istanbul onder de
naam Constantinopel de hoofdstad van het Byzantijnse Rijk
en het Osmaanse Rijk. |
| Turkse Rivièra |
Naast
vele islamitische monumenten bezit deze stad het hoofdwerk
van de Byzantijnse bouwkunst, de Aya Sophia (6de eeuw). Een
andere bezienswaardige stad in Europees Turkije is Edirne
met o.a. de moskee van de hand van Turkijes belangrijkste
architect, Sinan (16de eeuw).
Anatolië
In Aziatisch Turkije (Anatolië) is om te beginnen de Egeïsche
kust interessant. Izmir, het antieke Smyrna, is het uitgangspunt
voor het bezichtigen van de imposante ruïnes van de Griekse
en hellenistische centra van weleer: behalve Priene en Pergamum
o.a. Efeze, Milete, Didyma, Halicarnassus, Sardes en Hiërapolis,
vlak bij Pamukkale, dat vermaard is om de terrasvormige kalkafzettingen
van het warme, kalkrijke bronwater. Izmir zelf bezit een belangrijk
Hettitisch museum.
|
|
 |
|
|
| Izmir |
Pamukkale |
|
Egeïsche gebied
Manisa is het voornaamste Turks-islamitische cultuurcentrum
in het Egeïsche gebied, met o.a. vele moskeeën. De badplaats
Çesme heeft een middeleeuws fort. Kusadasi (vogeleiland) is
een moderne, drukbezochte badplaats. Van de Middellandse-Zeekust
is de badplaats Antalya het toeristisch centrum. Ook in dit
kustgebied bevinden zich resten uit de antieke tijd, o.a.
een aantal vnl. Romeinse theaters, in Aspendos (voor 15.000
toeschouwers; jaarlijks voorstellingen in juni), Demre, Side,
Perge, Kas, Termessos (Grieks) en Xanthos.
Bij Demre bevinden zich voorts de ruïnes van Myra, de stad
van Nicolaas van Myra (Sinterklaas), boven wiens graf een
(Byzantijnse) kerk is gebouwd. In Perge bevindt zich behalve
een theater ook een antiek stadion, bestemd voor 27.000 toeschouwers.
Meer in oostelijke richting zijn toeristische plaatsen: Alanya,
een vesting uit de Seldjoekentijd met binnen de - dubbele
- muren moskeeën, een overdekte bazar, een karavanserai en
een paleis; de Damlatas-druipsteengrot nabij Alanya; de badplaats
Anamur met een groot middeleeuws kasteel; de badplaats Silifke
met een kruisvaardersburcht; Mut met een 14de-eeuwse vesting;
Adana; Antakya (het antieke Antiochie) met een befaamde collectie
Romeinse mozaïeken in het museum. |
Manisa |

Alanya
|

Kusadasi |
|
|
|
Zwarte Zeekust
De Zwarte-Zeekust heeft een mild klimaat. Hier valt de meeste
neerslag van Turkije, zodat er uitgestrekte (sparren) bossen
zijn. Tot de meer moderne badplaatsen behoort Giresun. Interessante
architectuur heeft Trabzon (het Trebizonde uit de Byzantijnse
tijd). Ten zuiden hiervan ligt boven een steile afgrond het
14de-eeuwse klooster van Sumela (Byzantijnse fresco's).
|
 |
|
|
| klooster
in Trabzon |
|
|
West Anatolië
In West-Anatolië zijn Bursa en Iznik bezienswaardig. Bij Çanakkale
ligt de ruïneheuvel van Troje. In Centraal-Anatolië liggen
in de - wijde - omgeving van Ankara (musea, o.m. met de vondsten
uit Alaca Hüyük): Bogazkale met de ruïnes van de Hettitische
stad Hattusa en Yazilikaya met een Hettitisch heiligdom met
beroemde reliëfs (13de eeuw v.C.); voorts de ruïnes van de
Hettitisch-Phrygische stad Gordium, waar Alexander de Grote
de 'gordiaanse knoop' zou hebben doorgehakt (zie ook Gordias)
en de ruïneheuvel Alacahüyük. Amasya bezit o.a. moskeeën en
rotsgraven van Pontische koningen. In het zuiden is de bedevaartplaats
Konya bekend om de 'dansende derwisjen'.
Oost Anatolië
Het zuiden van Oost-Anatolië wordt ingenomen door het (historische)
landschap Cappadocië, dat vooral bekend is om groepen grillige
rotsen met vele natuurlijke grotten, die hebben gediend als
woning, kerk of klooster. Men vindt ze o.a. bij Kayseri, Ürgüp,
Göreme (kloostercomplex uit de 10de-11de eeuw met fresco's)
en Derinkuyu (onderaardse steden). In Kayseri, Kirsehir en
Nigde zijn fraaie voorbeelden van Seldjoekse en latere bouwkunst.
O.a. hier kan men aan de portalen van de moskeeën en medressen
(=islamitische hogescholen) de Turks-Islamitische beeldhouwkunst
bewonderen, die vooral vanaf de 13de eeuw bestaat uit uitermate
fijne, filigraanachtige arabesken en geometrische figuren;
het beroemdste voorbeeld is de sculptuur van de Grote Moskee
(13de eeuw) in Divrigi. |
|
|
 |
|
 |
| Kirsehir |
Cappadocie |
|
In de overige delen van Oost-Anatolië zijn bezienswaardig:
Tokat met een kasteel met 28 torens en moskeeën uit de 12de-16de
eeuw; Kars met resten van de Armeense stad Ani (10de-11de
eeuw); Diyarbakir met talrijke oude bouwwerken, o.a. een moskee
uit ca. 1090 en een 5 km lange basalten (dus zwarte) stadsmuur
met 72 torens; Van aan het Vanmeer, waar rotsgraven van de
Oerarteeërs zijn gevonden; in het Vanmeer het eiland Ahtamar
met de resten van een Armeens klooster (10de eeuw). Op de
tegenover Van gelegen oever van het meer rijst de Nemrud Dag
op, op welks 2150 m hoge top zich de resten bevinden van een
heiligdom en graf (van Antiochus I van Commagne), bestaande
uit o.a. een 50 m hoge piramide en vijf ca. 9 m hoge, tronende
godenbeelden.
|
| Istanbul |
|
|
|
Algemeen
Istanbul, vroeger Constantinopel, daarvóór Byzantium, stad
in Turkije, aan weerszijden van de Bosporus, hoofdstad van
een gelijknamige provincie, met 7,64 miljoen inw. De oude
stad ligt tussen de Zee van Marmara en de Gouden Hoorn; ten
noorden hiervan, tussen de Gouden Hoorn en de Bosporus, liggen
o.a. Beyoglu (vroeger: Pera), een stadsdeel met een Europees
karakter, en Galata, het handels- en financiële centrum; er
zijn drie bruggen over de Gouden Hoorn. Het stadsdeel Üsküdar
(vroeger: Scutari) ligt aan de Aziatische zijde van de Bosporus
(sinds 1973 brugverbinding). |
Functies
In economisch en cultureel opzicht is Istanbul de belangrijkste
stad van Turkije. De bevolking omvat diverse nationaliteiten,
rassen en talen. Vanouds belangrijk is de handel. De uitstekende
haven aan de Gouden Hoorn, bereikbaar voor de grootste zeeschepen,
en de spoorwegverbinding met Midden-Europa hebben een belangrijke
functie in het levendige goederenvervoer. De industrie produceert
o.m. tabakswaren, voedingsmiddelen, textiel, leder- en metaalwaren,
chemicaliën en verpakkingsmaterialen. Er zijn talrijke banken
en handelsfirma's. Van diverse bazars zijn de Grote Bazar
met meer dan 3000 winkels en de Egyptische Bazar de voornaamste.
Internationale luchthaven Yesilköy. Istanbul is de zetel van
een Grieks-orthodoxe patriarch, een Grieks-Bulgaarse aartsbisschop,
een Armeens patriarch en een opperrabijn. Er zijn twee universiteiten
(een algemene en een technische), een academie voor schone
kunsten, een conservatorium, een handelsacademie en diverse
vakscholen. Er zijn enkele grote bibliotheken en musea, o.a.
het archeologisch museum, het museum voor Turks-islamitische
kunst, het Topkapimuseum (o.m. handschriften), het Atatürkmuseum
en het mozaïekmuseum.
|

Istanbul |

Gouden Hoorn |

Kiz Kulesi |

Bazaar |
|
|
|
|
|
|
|
Stadsbeeld
Gezien vanuit de Gouden Hoorn biedt Istanbul met zijn koepels
en minaretten en zijn vele cipressen een schitterende aanblik.
In de oude stad zijn nog veel nauwe, kronkelige straten te vinden
met lage houten huizen, hoewel in de loop van de 20ste eeuw
zeer veel is gemoderniseerd. De stad is, evenals Rome, gebouwd
op zeven heuvels en heeft een groot aantal van haar historische
monumenten bewaard, evenals een deel van de stadsmuren. Uit
de Byzantijnse tijd dateren het door keizer Flavius Valus in
het derde kwart van de 4de eeuw gebouwde aquaduct (waar thans
een zesbaansverkeersweg onderdoor loopt) en een aantal kerken
(na 1453 alle tot moskeeën verbouwd en thans musea), waarvan
de Aya Sophia het beroemdst is. De Irenekerk, gebouwd onder
Justinianus, maakt deel uit van het Topkapi-complex; de kerk
van Sergius en Bacchus werd in 526-527 gebouwd; de kerk van
het vroegere Chora-klooster bevat schitterende mozaïeken uit
de 13de en 14de eeuw. Ook zijn er ruïnes uit de Byzantijnse
tijd, o.a. van het slot Tefkur en van het hippodroom.
Van de ca. 200 moskeeën die de stad rijk is, is de moskee van
sultan Ahmed I (1616) met zes minaretten de befaamdste; haar
bijnaam, Blauwe Moskee, dankt zij aan de schitterende blauwe
faiencedecoratie. Belangrijk zijn ook o.a. de Nieuwe Moskee
(1597-1663) en de moskeeën van Rüstempasa (1560), Bayazid (1501-1505),
Süleyman I (1550-1557; thans museum voor Turks-islamitische
kunst), Mehmet II (1571) en Nuruosman (1755). Het belangrijkste
burgerlijke bouwwerk uit de Osmaanse tijd is het 'faiencepaviljoen'
(Cinili Kösk) dat in 1472 werd gebouwd. Sultan Mehmed II liet
in 1462 beginnen met de bouw van het Topkapi-paleis (het zgn.
Serail), fraai gelegen aan de Bosporus, dat vier met elkaar
verbonden binnenhoven omvat waarin gebouwen uit verschillende
perioden liggen. Deze paleizen doen, evenals een aantal 19de-eeuwse
sultanspaleizen, waarvan vooral het uitermate luxueuze Dolmabahce-paleis
vermelding verdient, thans alle dienst als museum.
|

Blauwe moskee |

AyaSofya moskee |
|
|
Geschiedenis
De stad werd op de plaats van het oude Byzantium gebouwd (324-330)
op last van Constantij de Grote, die haar tot hoofdstad van
het Romeinse Rijk maakte en naar wie zij spoedig Constantinopel
werd genoemd. Na de splitsing van het Romeinse Rijk (395) bleef
Constantinopel de hoofdstad van het oostelijk deel van het Romeinse
Rijk, later Byzantijnse Rijk. De stad werd door Theodosius II
in 413 aanzienlijk naar het westen uitgebreid en voorzien van
de thans nog bestaande stadsmuren. Tot begin 7de eeuw lagen
alle officiële bouwwerken (paleis, senaat, hoofdkerk, hippodroom)
geconcentreerd in het zuidoosten van de stad; Comnenen en Paleologen
brachten echter het keizerlijke residentiekwartier over naar
de noordhoek van de wallen (Blachernae). Oosterse kooplieden
kregen sedert ca. 600 een eigen woonbuurt toegewezen op de zuidzijde
van de Gouden Hoorn; in de 11de en 12de eeuw verwierven ook
de Italiaanse zeesteden (Amalfi, Venetië, Pisa, Genua) er eigen
kwartieren; even na 1260 vestigden de Genuezen zich op de overzijde
van de Gouden Hoorn, in Galata.
Zeker vanaf ca. 700 hoofdzakelijk van Griekse herkomst, vormde
de bevolking van Constantinopel steeds een kosmopolitisch geheel:
Armeniërs, Russen, Bulgaren, Georgiërs, Arabieren, Turken, West-Europeanen
brachten reeds vóór de Latijnse bezetting van 1204 eigen taal,
zede en godsdienst binnen in een grotestadsleven, dat echter
duurzaam Helleens bleef. Het bevolkingscijfer is moeilijk te
schatten: de voorgestelde getallen schommelen voor de 6de tot
de 11de eeuw tussen 175.000 en 600.000, ca. 1200 tussen 100.000
inwoners en 300.000 weerbare mannen, in het jaar 1453 zou het
cijfer nog slechts 40.000 à 50.000 hebben bedragen.
Constantinopel bereikte zijn hoogste bloei onder Justinianus
I (527-565), strokend met 's keizers droom van een integraal
herstel van het Romeinse Rijk. De stad was het administratieve,
religieuze, culturele en commerciële centrum van het rijk. Er
was een staatsuniversiteit met bibliotheek en een vermaarde
rechtsfaculteit. Constantinopel was van de 7de tot de 11de eeuw
wereldmarkt en stapelplaats voor oriëntaalse producten. Daarnaast
was het ook een zeer sterke vesting. Belegerd door Avaren en
Perzen (626), door Arabieren (674-678, 717-718), Bulgaren (813,
913, 924), Russen (860, 907) en Petsjenegen (1090-1091), bezweek
de stad pas voor het eerst onder de verwoestende stormloop van
de Vierde Kruistocht (1204), maar werd in 1261 door Michael
VIII Paleologus vanuit Nicea met Genuese hulp op de Franken
en Venetië heroverd; Constantinopel zou nadien echter niet tot
zijn vroegere glans herrijzen. Uiteindelijk doelwit van diverse
imperialismen (de Bulgaren begin 10de eeuw, de Guiscards van
Sicilië 12de eeuw, de Latijnen en Venetië begin 13de eeuw, de
Zuid-Italiaanse Anjous ca. 1270, de Serviërs van Stefanus Doesjan
ca. 1350, Aragon-Napels ca. 1450) werd Constantinopel ten slotte
een buit voor de Osmaanse Turken.
Tweemaal reeds hadden dezen tevergeefs gepoogd zich van de stad
meester te maken, toen eindelijk Mehmed II haar op 29 mei 1453
veroverde. Dit betekende tevens het einde van het Byzantijnse
Rijk. De sultan verlegde zijn residentie nu onmiddellijk van
Adrianopel (Edirne) naar Constantinopel, dat sedertdien de hoofdstad
van het Osmaanse Rijk zou blijven. Kerken werden in moskeeën
veranderd. De bevolking werd met Turkse en Slavische elementen
aangevuld. De Grieks-Orthodoxe Kerk bleef echter haar vrijheid
behouden en de patriarch werd zelfs met het burgerlijk bestuur
over de christenen belast.
In de 19de eeuw was Constantinopel enige malen het toneel van
bloedige gebeurtenissen. Tijdens de Griekse opstand werd een
aantal vooraanstaande Griekse inwoners door fanatieke Turken
vermoord; de patriarch werd in de deuropening van zijn kathedraal
opgehangen (1821). In 1826 werden naar schatting 15.000 janitsaren
op last van de sultan afgeslacht. Na de Turkse nederlaag in
de Eerste Wereldoorlog werd de stad bezet door Britse, Franse
en Italiaanse troepen (november 1918), die haar pas in okt.
1923 zouden ontruimen. Inmiddels was in 1922 het sultanaat afgeschaft
en op 13 oktober 1923 hield Constantinopel officieel op hoofdstad
van Turkije te zijn. Het bleef nog residentie van de kalief
tot in april 1924 ook deze waardigheid werd afgeschaft. De Turkse
Republiek verving de oude naam Constantinopel officieel door
Istanbul (een verbastering van het Griekse eis tèn polin = naar
de stad), een naam die in de 17de eeuw bij de Turkse bevolking
in gebruik was gekomen. Sedert 1932 is Istanbul de enig toegelaten
naam.
|
|
|
| Izmir
|
|
Algemeen
|
|
Izmir, vroeger Smyrna, havenstad in Turkije, hoofdstad van
de gelijknamige provincie, West-Anatolië, aan de Golf van
Izmir (Egeïsche Zee), met 2 miljoen inw. De stad is een van
de belangrijkste stedelijke centra van Turkije, met centrumfuncties
op velerlei gebied.
Functies
De industrie omvat aardolieraffinage, scheepswerven, vrachtwagenfabricage
en verwerking van katoen en wol; daarnaast chemische industrie,
tapijtfabricage en verwerking van tabak. Er is een vrije-productiezone
(1985); jaarlijks wordt een belangrijke handelsbeurs gehouden
(sinds 1924). De haven is tevens een belangrijke marinebasis;
de stad is zetel van het hoofdkwartier van de Zuid-Europese
strijdkrachten van de NATO.
Izmir is zetel van een katholiek aartsbisschop, en was een
van de eerste christelijke steunpunten in het gebied. Er zijn,
naast de Egeïsche Universiteit (1955) en de Dokuz Eylül Universiteit
(1982), vele instellingen voor hoger onderwijs. Van de musea
zijn het Efezemuseum (1939; archeologie) en het Museum voor
Moderne Turkse Kunst te noemen. In de omgeving liggen de ruïnesteden
Efeze, Pergamum, Sardis, Priene, Milete en Didyma. De stad
wordt vanwege de ligging aan de Meles (thans: Kizilca/culu)
wel beschouwd als de geboorteplaats van Homerus; belangrijk
en toenemend toerisme. Luchthaven.
Stadsbeeld
Door verwoestingen in de Eerste Wereldoorlog, de grote brand
van september 1922 en zware aardbevingen in de 17de, 18de
en 20ste eeuw zijn nog slechts weinig historische bouwwerken
bewaard. Indrukwekkend zijn de resten van de oorspronkelijk
in de hellenistische tijd aangelegde agora (na aardbevingen
in de 2de eeuw door de Romeinen herbouwd); voorts resten van
de laat-Byzantijnse vesting, op de Pagusberg (165 m) aan de
Golf.
Geschiedenis
De stad werd ca. 1000 v.C. op ca. 4 km van de huidige stad
als Smyrna door Aeolische kolonisten gesticht. Ze kwam snel
onder Ionisch beheer en groeide uit tot een gezaghebbende
stad tot ze in de 7de eeuw v.C. door koning Alyattes van Lydië
met de grond gelijk werd gemaakt. Ze werd in de 4de eeuw v.C.
door Alexander de Grote op haar huidige lokatie herbouwd en
ontwikkelde zich daarna tot een van de belangrijkste en grootste
steden van Klein-Azië, geroemd om haar stedenschoon en scholen.
Na de verdeling van het Romeinse rijk viel de stad toe aan
het Byzantijnse rijk; in 1424 werd ze veroverd door de Osmanen.
Ze was van 1919 tot het einde van de Turks-Griekse Oorlog
(1922) kortstondig in Griekse handen. De huidige economische
welvaart dateert van na de Tweede Wereldoorlog; in 1955 telde
de stad 296.600 inw, in 1975 waren dat er 636.800. Ca. 40%
van de bevolking leeft in de uitgestrekte sloppenwijken rond
de stad.
|
| Antalya
|
|
Algemeen
|
Antalya,
havenstad in Turkije, hoofdstad van de gelijknamige provincie,
aan de Middellandse Zee, aan de voet van de Westelijke Taurus,
met 429.000 inw. Antalya beschikt over een moderne grote haven
(import van o.m. aardolie) en is een belangrijk handelscentrum
voor de agrarische omgeving waar tarwe en citrusvruchten worden
verkocht. Vanwege de historische waarde van de stad en de
omgeving, het subtropische klimaat en de langgerekte zandstranden
is Antalya een gezochte toeristenplaats, ook op nationaal
niveau. Er is een bloeiende handel in souvenirs en er zijn
talloze hotels en pensions. De stad heeft een internationale
luchthaven en ligt aan de E 24 die vanuit Griekenland langs
de Turkse Rivièra naar Syrië voert. Akdeniz Universiteit (1982).
Het archeologisch museum, ondergebracht in een modern gebouw,
is met zijn verzameling oudheden en islamitische kunst een
van de belangrijkste van Turkije. Het opmerkelijkste monument
is de 13de-eeuwse minaret, die hoog boven de lage moskee (in
later tijd herbouwd) uittorent in het oude stadsdeel dat tijdens
de heerschappij van de Seldjoeken werd gebouwd. Bezienswaardig
is ook de triomfboog die in 130 n.C. ter ere van een bezoek
van keizer Hadrianus werd gebouwd.
Geschiedenis
Antalya werd in de 2de eeuw v.C. als Attaleia gesticht door
Attalus II van Pergamum en was een belangrijke versterkte
plaats in het Romeinse en Byzantijnse tijdperk. |
| Trabzon
|
|
Algemeen
|
|
Trabzon
of Trebizonde, stad in Turkije, hoofdstad van de gelijknamige
provincie, regio Zwarte-Zeekust, hoofdstad van de gelijknamige
provincie, met 164.000 inw. Textielindustrie (wol, linnen,
zijde), leerbewerking en scheepsbouw. Van oudsher belangrijke
stapelplaats voor de handel tussen Europa en Voor-Azië; de
voornaamste handelsproducten zijn hazelnoten, thee, tabak,
vee en wol. Beginpunt van een passenweg door het Pontisch
gebergte; vliegveld. Universiteit (1963). De stad ligt aan
de voet van een vesting uit de Byzantijnse tijd; de oude binnenstad
is ommuurd. Het belangrijkste monument is de voormalige kerk
Aya Sophia (13de eeuw), met interessante reliëfs; voorts zijn
te noemen de St.-Eugeniuskerk (1291) en de Panayia Chrysocephalos
(13de eeuw), thans beide als moskee in gebruik.
Geschiedenis
Trabzon, in de 7de eeuw v.C. vanuit Sinop gesticht als Trapezous
(Lat.: Trapezus), maakte vanaf de 1ste eeuw v.C. deel uit
van het rijk van Pontus. Na achtereenvolgens in Romeinse en
Byzantijnse handen geweest te zijn, werd het in 1204 de hoofdstad
van het door Alexius, kleinzoon van Andronicus I, gestichte
keizerrijk Trebizonde. In 1461 werd de stad door de Turken
veroverd.
|
| Bursa
|
|
Algemeen
 |
|
Bursa [aardrijkskunde] of Boersa, ook Brusa, Broussa of Broessa,
hoofdstad van de gelijknamige provincie in Turkije, ca. 100
km ten zuiden van Istanbul, met 949.000 inw. De stad is een
belangrijk handels- en industriecentrum voor de agrarische
omgeving, waar rijst, tabak en citrusvruchten worden verbouwd.
De industrie verwerkt deze producten en omvat voorts enige
metaalindustrie en zuivelfabrieken. Van oudsher staat Bursa
bekend vanwege de productie van en handel in fraaie zijde
en tapijten.
Bursa is vanwege de rijke historie, de prachtige ligging en
de vele monumenten een toeristische trekpleister bij uitstek.
Er bevinden zich minerale bronnen op de helling van de Ulu
Dag, aan de voet en op de helling waarvan de stad is gelegen.
Tevens zijn er de resten van Romeinse thermen, die vroeger
werden gevoed door deze bronnen. De stad telt enkele belangrijke
moskeeën, o.a. de Ulu-Djami (= grote moskee, 1379-1421), met
praalgraven van de eerste zes sultans van Turkije, en de Yesil-Djami
(= groene moskee, 1413-1421), die haar naam dankt aan de hoofdkleur
van de faiencetegels die het interieur sieren; in het 'groene
mausoleum' naast de moskee ligt sultan Mehmed I begraven.
Tevens zijn er de graven van Osman I en zijn zoon, de Uludag
Universiteit (1975) en een archeologisch museum.
Geschiedenis
De stad werd in 184 v.C. als Prusa gesticht en was van 1326
tot 1361 de zetel van de Osmaanse sultans.
|
| Ankara
|
|
| Algemeen
|
|
Ankara, hoofdstad van Turkije, aan de Ankararivier, in Centraal-Anatolië,
met 2,8 miljoen inwoners
Functies
De stad is het administratieve centrum van het land (zetel
van regering en parlement) en tevens een belangrijk handelscentrum.
De overwegend lichte industrie omvat productie van voedsel
(wijnen, bier, suiker en zuivelproducten), bouwmaterialen,
machines, tractoren en textiel. Ook op het gebied van onderwijs
heeft Ankara een centrumfunctie: er zijn diverse musea (etnografisch
museum, archeologisch museum, natuurkundig museum), bibliotheken,
theaters, een opera en vier universiteiten (Hacattepe Universiteit
[1206], Universiteit van Ankara [1946], de Technische Universiteit
van het Midden-Oosten [1956] en de Gazi Universiteit [1982]).
De stad ligt op een kruispunt van nationale en internationale
(E 5, E 23) wegen en spoorlijnen, en heeft een internationale
luchthaven (Esenboga).
Stadsbeeld
De oude stad rond de dominante hooggelegen citadel uit de
Byzantijnse tijd biedt nog een typisch Oosterse aanblik, met
kleine winkeltjes, bazaars en historische gebouwen, waaronder
de Arslanhane Camiimoskee uit 1290. Uit de Romeinse overheersingsperiode
resteren nog de thermen (217 n.C.), de resten van de aan Augustus
en Roma gewijde tempel (20 v.C.; thans ondergebracht in een
kerk) waarbij in 1555 de beroemde inscriptie bekend als Monumentum
Ancyranum werd teruggevonden. Voorts overheerst het mausoleum
van Atatürk (1953), met daarin het Atatürkmuseum. Meer naar
het zuiden, westen en oosten liggen de moderne wijken, met
daarbij de armere sloppenwijken. Het zakelijk leven speelt
zich af rond de Atatürkboulevard.
Geschiedenis
De stad, oudtijds Ancyra geheten, zou volgens de sage door
Midas in de 9de eeuw v.C. zijn gesticht en was in de Romeinse
tijd een bloeiend centrum van handel en een knooppunt van
wegen. In 621 werd de stad door de Arabieren ingenomen en
in de 13de eeuw door de Seldjoeken. In 1919 verkoos Mustafa
Kemal Ankara als zetel van zijn bewind; in 1923 werd het hoofdstad
van de nieuwe republiek, waarna de stad weer snel tot bloei
kwam. Tot 1930 heette Ankara Engürü (in Europa Angora genoemd).
|
| Nevsehir
|
|
Algemeen

|
|
De provinciehoofdstad
Nevsehir vormt de toegangspoort tot Cappadocië. Op de hoogste
heuvel van de stad is een Seldtjoek-kasteel te vinden. Daarnaast
behoort de Kursunlu-moskee, gebouwd voor de grootvizier Damat
Ibrahim Pasja, tot een van de overgebleven historische gebouwen.
De moskee maakt deel uit van een complex waartoe een medresse,
een gastenkwartier en een bibliotheek behoren. Een reinigingsfontein
op de binnenplaats bevat nog steeds de originele inscripties.
Het Nevsehir-museum toont lokale kunstvoorwerpen.
Hevige uitbarstingen van de Erciyes- (3916 m) en Hasan-vulkaan
(3268 m) bedekten drie miljoen jaar geleden het plateau dat
Nevsehir omgeeft met tufsteen, een zacht gesteente bestaande
uit lava, as en modder. Wind en regen hebben een erosiewerking
op dit broze gesteente gehad en een spectaculair surrealistisch
landschap gevormd van rotskegels, toppen als mutsen en uitgeslepen
dieptes, variërend in kleur van warm-rood tot goud en van
koele groen tot grijze tinten.
|
|