Klik hier om weer terug te gaan naar de homepage!
 
 
 
 

kerngegevens

Turkije Republiek Turkije = Türkiye Cumhuriyeti TC
Ligging In West-Azië en Zuidoost-Europa
Staatshoofd Ahmet Sezer (2000)
Premier Recep Tayyip Erdogan
Oppervlakte 779.450 km2 (waarvan 23.764 km2 in Europa)
Bevolking 63.745.000
Bruto Nat. Product per inwoner $ 3.122
Hoofdstad Ankara
Munteenheid Turkse Lire
Taal Turks
Godsdiensten Islam 98% (waarvan 70% Sunni, 15-25% Aleviet)
Analfabetisme 18%
BNP $ 199 mrd (Landbouw 40%, Industrie 25%, Diensten 35%)
Export $ 26 mrd
Import $ 49 mrd
Handelspartners Duitsland, Frankrijk, Italië, U.S.A., Verenigd Koninkrijk, Iran, Japan, Rusland

Demografische gegevens

Tropische temperaturen, aangename stranden, een afwisselend landschap met ongerepte bergmassieven, woestijnlandschappen, rivieren, meren, de Zwarte, Egeeische en Middellandse Zee. Een bezoek aan het klooster Sumela, zestienhonderd jaar geleden gebouwd, hoog en diep in de rotsen verscholen, de drukke zandstranden van Kusadasi (vogelparadijs), zwerven door het maanlandschap van Cappadocië (Nevsehir), door vulkaanuitbarstingen vervormde grotten, rotsen en bergwanden waar de eerste christenen zich verschuilden, en verdwalen in de mierenhoop van straatjes en steegjes van Istanbul. Als je in een maand heel Turkije wilt rondtrekken, sla je meer over dan dat je ziet.

Als je tussen de blauwe wateren van de Bosporus vaart, voel je je klein en nietig. Hier eindigt Azië en begint Europa. Of net andersom. Als je in Istanbul komt, de miljoenenstad die doormidden gesneden is, val je met de neus in de boter. Lange, brede boulevards worden afgewisseld met kleine, krappe steegjes, in het menigte krioelt het van de marktverkopers, handelaren, mensen uit alle lagen en alle delen van de wereld en bewijzen koepels en minaretten van het Osmaanse en Byzantijnse Rijk het bestaan van een roemruchte geschiedenis

Het Aziatische deel (ook Klein-Azië of Anatolië geheten) en het Europese deel (Thracië) zijn van elkaar gescheiden door (van noordoost naar zuidwest) de Bosporus, de Zee van Marmara en de Dardanellen, tezamen de verbinding vormend tussen de Zwarte Zee en de Middellandse Zee. De beide delen zijn door twee bruggen over de Bosporus met elkaar verbonden. De kustlijn is ruim 8000 km lang. Van de eilanden in de Egeïsche Zee behoren slechts twee (Gökçeada en Bozcaada) tot Turkije.

Landschap
Het hoogland van Anatolië kan als het kernlandschap van Turkije worden beschouwd. Het bestaat uit een ca. 2000-2500 m hoge, boomloze, deels woestijnachtige hoogvlakte, in het noorden en in het zuiden door hoge randgebergten, resp. het Pontisch Gebergte en de Taurus, omgeven, beide met een groot aantal toppen van 3000 m en meer. Naar de Egeïsche zijde lost het hoogland zich op in een aantal kleinere gebergten, diep ingesneden door in oost-westrichting verlopende dalen. Op het hoogland, doch in een opmerkelijk excentrische, zuidwestelijke ligging, bevindt zich een gebied zonder afvloeiing, dat ongeveer eenderde van het gehele hoogland in beslag neemt. Het bestaat voor een groot deel uit zoutsteppen, afgewisseld met zoutmoerassen en zoutpannen, en vormt het overblijfsel van een zoetwaterbinnenzee, die sedert het Tertiair Anatolië geheel bedekte, doch die na een periode van uitdroging geheel is verdwenen. Het door uitlogen vrijgekomen bodemzout werd met het overblijvende water naar het laagste punt van het gebied gevoerd, waar het op 940 m hoogte het Tuz Gölü (= Zoutmeer; ca. 1650 km2) vormde. Ook in het zuidwesten van het afvoerloze gebied vormden zich zoutmeren. Langs de gehele kust van het schiereiland loopt een smalle vlakte die zich slechts op twee punten verbreedt, nl. bij Adana, in de bocht van de Middellandse Zee bij de Syrische grens, waar zij een alluviale riviervlakte vormt, en vooral aan de Egeïsche kust, waar de rivieren brede en diep in het land dringende dalen hebben gevormd.

Rivieren en meren
Turkije bezit weinig rivieren, die bovendien vrijwel geen van alle geschikt zijn voor de scheepvaart; alleen in Zuid-Oost Turkije is een deel van de bovenloop van de Eufraat met kleine vaartuigen en vlotten bevaarbaar. Globaal gezien stromen de rivieren naar alle zijden van het Anatolisch plateau af en doorbreken op weg naar zee de randgebergten. Zij hebben een groot verval (tot 11%) en ontwikkelen derhalve een sterke erosiewerking; aan de monding vormen zij dikwijls deltalandschappen uit het meegevoerde materiaal. Zij meanderen daar vaak sterk. De grootste geheel op Turks gebied stromende rivier is de Kizil Irmak (= Rode Rivier). De Turkse meren liggen grotendeels in de beide afvoerloze gebieden en hebben deels zout, deels brak, op plaatsen met ondergrondse waterafvoer voor een deel zelfs zoet water.

Klimaat
Het klimaat vertoont grote plaatselijke verschillen, die vooral samenhangen met de ligging ten opzichte van de zee en de hoogte. Het binnenland bezit een sterk continentaal klimaat, terwijl het klimaat van de kusten een maritiem karakter heeft. Depressies, gemiddeld ongeveer vijf per jaar, komen uitsluitend in het koude jaargetijde voor en trekken dan over de Zwarte Zee of over de Middellandse Zee, maar nooit over het centrale hoogland. Hun invloed doet zich niet meer dan enige tientallen kilometers landinwaarts gevoelen. Daardoor kunnen in het binnenland, ondanks de lage geografische breedte, zeer lage temperaturen voorkomen. Aan de voorzijde van de Middellandse-Zeedepressies voeren woestijnwinden droge, warme lucht ook naar het binnenland, speciaal in het voorjaar. 's Zomers waaien onder invloed van de lage druk boven Azië etesische winden (Turks enkelv.: meltem). De kusten zijn dan koeler dan het binnenland, juist tegengesteld aan de wintersituatie. Behalve langs de kust, m.n. van de Zwarte Zee, is de neerslag gering en sterk variabel.

Plantengroei
Het centrale plateau vormt de toegang tot de steppen van Centraal-Azië. Behalve in het droge hart is er veel grasland. Tegen de flanken van uitgedoofde vulkanen, zoals de Kara Dag en de Erciyas Dagi, waarvan de hogere hellingen vaak bebost zijn, komen steppen voor, evenals op de plateaus van Oost-Turkije tussen de gebergten, bijv. rond Erzurum en Kars. Op de hellingen van de Taurus en de Antitaurus komt in lente en zomer een weelderige grasgroei tot stand. Eeuwen van houthakken en grazen hebben de bossen uitgedund en teruggedrongen (van 70% tot 26% van de oppervlakte) en hebben zelfs hun samenstelling veranderd. Het aanhoudend grazen van geiten in de westelijke kustgebergten verklaart het daar overheersende struikgewas. De rijkste bossen van Turkije liggen in het noorden, op de noordelijke hellingen van het Pontisch Gebergte die de Zwarte Zee flankeren. Eiken en hazelaars hebben van het zeeniveau tot aan het rododendronstruikgewas net onder de sneeuwlijn de overhand.

Samenstelling en spreiding

De bevolking bestaat voor 73% uit Turken, 17% zijn Turkse Koerden (die hoofdzakelijk in de zuidoostelijke provincies en de steden wonen). Daarnaast zijn er nog kleine minderheden Arabieren (in het zuidoosten), Grieken en Armeniërs (in de grote steden), Tsjerkessen, Bulgaren, Georgiërs en Lazaren (bij de Zwarte Zee). De bevolkingsaanwas bedroeg tussen 1985 en 1995 gemiddeld 1,9% per jaar. De dichtstbevolkte provincies zijn de westelijke, die langs de Zwarte Zee en de provincies Adana en Hatay aan de Middellandse Zee. 70% van de bevolking woont in de steden. De grootste steden zijn: Istanbul (4 miljoen, met voorsteden 7,6 miljoen inw.), Ankara (2,8 miljoen, met voorsteden 4 miljoen), Izmir (2 miljoen), Adana (1 miljoen), Bursa (1 miljoen), Gaziantep (716.000), Konya (576.000) en Içel (Mersin; 523.000). Ca. 1,5 miljoen Turken werken in het buitenland, vooral in West-Europa (van wie ca. 1 miljoen in Duitsland en ca. 180.000 in Nederland) en in landen van het Midden-Oosten.

Taal
Het Turks is in Turkije de enige nationale taal en wordt daar gesproken door ca. 95% van de bevolking, dwz. 62 miljoen personen. Turkse talen, groep van onderling nauw verwante talen, die oorspronkelijk alleen in Centraal-Azië voorkwam, maar zich gedurende de middeleeuwen naar Voor-Azië en Oost-Europa heeft uitgebreid. Samen met de Mongoolse en Toengoezische talen wordt zij ingedeeld bij de familie van de Altaïsche talen, hoewel de historische verwantschap van deze drie taalgroepen niet is bewezen.

De oudste teksten in het Turks zijn de zgn. Orhun inscripties, die dateren uit de 8ste eeuw n.C. Sinds de 11de eeuw zijn de meeste Turken onder invloed van de islam gekomen; de uitwerking hiervan op de taal is, behalve het gebruik van het Arabische schrift, vooral het binnendringen van talrijke Arabische en Perzische leenwoorden geweest. Het Oost-Turkse Tsajgataïsch en het West-Turkse Osmaans ontwikkelden zich in de islamitische periode tot belangrijke cultuurtalen. Na de Eerste Wereldoorlog zijn de meeste Turkse volken overgegaan tot het Latijnse (in Turkije) of het cyrillische (in de voormalige Sovjet-Unie) schrift. In Turkije werd in 1928 een Latijns alfabet van 29 letters ingevoerd. Voor sommige klanken werden bijzondere diacritische tekens gekozen. Zo kent het Turkse alfabet naast de u (= Ned. oe) en o de ü en ö met dezelfde klankwaarde als in het Duits, en naast de i een i (zonder punt) voor een klinker die overeenkomt met de Nederlandse stomme e. Specifieke tekens voor medeklinkers hebben de ç (= tsj), s (= sj) en g, die de voorgaande klinker verlengt.

Waarden die afwijken van het Nederlandse gebruik, hebben de Turkse c (= dzj), j (= zj) en y (= j). De schrifthervorming in Turkije bracht ook een intensieve campagne op gang voor de vervanging van de talrijke leenwoorden uit het Arabisch en het Perzisch door woorden van zuiver Turkse herkomst.

De huidige Turkse talen omvatten de volgende groepen:
a. het Zuidwestelijke Turks of Ogoezisch, waartoe het Turks van Turkije, het Azeri (Azerbajdzjaans), de Turkse dialecten van Iran en het Toerkmeens behoren;
b. het Noordwestelijke Turks, met o.m. het Kirgizisch en de taal van de Kazachen;
c. het Oost-Turks, met als voornaamste talen het Oezbeeks en het Nieuw-Oejgoers in het westen van China (vnl. Xinjiang Uygur);
d. een groep kleine talen in Zuid-Siberië;
e. het Jakoetisch;
f. het Tsjoevasjisch in Oost-Rusland.


De laatste twee talen verschillen sterk van de overige. Voor de woordvorming en de aanduiding van grammaticale functies beschikt het Turks over een groot aantal achtervoegsels, die aan overwegend éénlettergrepige stammen worden gehecht. De eenheid van het woord wordt gekenmerkt door de vocaalharmonie, dwz.: afhankelijk van de stamklinker zijn alle volgende klinkers hetzij vóór-, hetzij achterklinkers (palatale vocaalharmonie), resp. geronde of niet-geronde klinkers (labiale vocaalharmonie). De syntaxis kent vrijwel geen bijzinnen; in de plaats daarvan worden constructies met tegenwoordige deelwoorden en andere nominale werkwoordsvormen toegepast.
Eten en drinken

 

Keuken

 

Lucullus was de grootste lekkerbek van de klassieke mythologie. Niet voor niets vertoefde hij lange tijd in Anatolië, dat tegenwoordig Turkije heet. De Turken staan bekend om een gevarieerde en uitgebreide keuken. Niet alleen lekker, maar ook gezond. Er wordt veel gebruik gemaakt van groente en fruit, vis en vlees en melkprodukten.

Vlees wordt eerder gegrild dan in boter gebakken, sauzen zijn een zeldzaamheid. Het ontbijt is zeer divers: kaas, warme melk of thee, honing, olijfen, tomaten, komkommers of eiergerechten, er wordt ook wel Turkse soep geserveerd: çorba.´s Middags en s´avonds eten de Turken groentegerechten, vis of vlees, zoals de bekende kebab, die er in honderd verschillende recepten is. Om te watertanden is ook imam bayildi, een lekkere maaltijd van een gehalveerde aubergine, gevuld met gehakt, kruiden en groenten, die koud geserveerd wordt. Het gerecht kan vertaald worden met ´imam is flauwgevallen´ , want hij vond het gerecht zo lekker dat hij van zijn stokje ging. Nagerechten bestaan uit fruit en zoete desserts. Baklava (Turkse lekkernij), ook in Griekenland populair, is een in honing gedrenkte bladerdeegkoek, gevuld met (pistache)noten. Een maaltijd wordt beëindigd met koffie of thee. Om de ober of kok te bedanken zeg je bijvoorbeeld: “tesekkurler”. Hij of zei zegt dan “afiyet olsun”, oftewel, dat het u moge bekomen.

Turkse koffie
Koffie komt oorspronkelijk uit Jemen, zo rond de vijftiende eeuw, maar raakte door de Osmaanse veroveringen via Syrië en Egypte ook in Turkije in zwang. De eerste koffiehuizen werden rond 1550 in Istanbul geopend, in de regeringsperiode van sultan Süleyman I. De koffiehuizen werden al snel ´scholen van kennis´ genoemd, omdat er veel intelectuelen kwamen.
Tot groot ongenoegen van de islamitische geestelijken, die de koffiehuizen als broeinesten van politieke en staatsondermijnende activiteiten bestempelden, bovendien nam het moskeebezoek drastisch af. De doktoren van die tijd meenden dat koffie schadelijk voor de gezondheid was.Het kon de hersenen blijvend schade veroorzaken, het zou ook de kracht van de man verminderen. Voor sultan Murad IV waren dat redenen om een algeheel koffieverbod uit te vaardigen. Het kon niet voorkomen dat koffie in latere eeuwen langzaam maar zeker tot alle lagen van de bevolking doordrong. Hedendaags drinken de Turken echter nauwelijks koffie, ze nippen liever aan een glaasje thee, de nationale drank van Turkije.


Religie en omgangsvormen

 

Religie
Ca. 97% van de bevolking behoort tot de islam. Hoewel Turkije sinds 1923 een geseculariseerde staat is, heeft de islam vooral op het platteland nog grote invloed op het maatschappelijk leven. 70% van de Turkse islamieten behoort tot de soennitische richting. Onder hen hebben soefi-sekten en fundamentalistische stromingen als de Nurcus en de Süleymanci’s een vrij grote aanhang. Daarnaast zijn er nog de sekte van de Jezidi's en de sji'itische Alawietensekte in het oosten van het land. Van de tot de Eerste Wereldoorlog tamelijk talrijke christelijke en joodse gemeenschappen is niet veel meer over. In de grote steden wonen naar schatting 15.000 Grieks- en 45.000 Armeens-orthodoxe christenen. Voorts zijn er kleine katholieke en protestantse gemeenschappen. In het zuidoosten wonen nog ca. 20.000 Syrisch-orthodoxen (jakobieten) en enkele duizenden Arabisch-orthodoxen en nestorianen. Turkije heeft een gemeenschap van ca. 25.000 sefardische joden.

Omgangsvormen
De Turkse gastvrijheid is groot, hartelijk en oprecht gemeend. Als u in contact met de plaatselijke bevolking komt, zal men u graag thee, koffie of een sigaret aanbieden. Het wordt op prijs gesteld als u hiervan gebruik maakt. Als u bij mensen thuis wordt ontvangen, moet u meestal uw schoenen uittrekken. Bloemen en parfum worden vaak aan de vrouw des huizes aangeboden. Vrouwen zijn niet welkom in koffiehuizen, uitdagende kleding wordt streng afgekeurd en kan afkeurende opmerkingen tot gevolg hebben.

Bestuur & Samenlevingkerngegevens

 

Staatsinrichting
De Turkse republiek is een gelaïciseerde democratie met een pluralistische parlementsstructuur, gebaseerd op de rechten van de mens, de wetgeving en de beginselen van sociale rechtvaardigheid. Volgens de in nov. 1982 per referendum goedgekeurde grondwet (laatstelijk geamendeerd in 1995) wordt de president voor een periode van zeven jaar gekozen door het parlement, hij benoemt de ministers en de rechters en is tevens hoofd van de invloedrijke Nationale Veiligheidsraad. De grondwet voorziet in één kamer, de Nationale Assemblee, bestaande uit 550 leden, met algemeen kiesrecht (vanaf 18 jaar) gekozen voor een periode van vijf jaar. Politieke partijen die communisme, fascisme of religieus fundamentalisme in hun vaandel schrijven, zijn verboden.

Aansluiting bij internationale organisaties
Turkije is stichtend lid van de OESO en de Organisatie voor Economische Samenwerking van de Zwarte Zee (1992), is lid van de Verenigde Naties en enkele VN-suborganen, de Islamitische Conferentie, de NAVO (sinds 1952), de Raad van Europa. Sinds 1963 is Turkije geassocieerd lid van de EU (douane-unie sinds 1 jan. 1996).

Politieke partijen en vakbonden
Na de staatsgreep van sept. 1980 werden de politieke partijen ontbonden. Bij de verkiezingen van 1983 werden nieuwe politieke partijen toegelaten, mits goedgekeurd door de Nationale Veiligheidsraad. Voormalige politici waren tot 1987 van politieke activiteit uitgesloten. ln de praktijk keerde een aantal oude politieke partijen onder een nieuwe naam terug. De voornaamste partijen zijn: de Anavatan Partisi (ANAP) of Moederlandpartij (liberaal-conservatief; in 1983 opgericht door o.a. Turgut Özal), de Dogru Yol Partisi (DYP) of Partij van het Juiste Pad (centrum-rechts; van ex-premier T. Çiller; voortzetting van de Gerechtigheidspartij [AP]) en de Partij van Democratisch Links (DSP) o.l.v. Bülent Ecevit (centrum-links; voortzetting van de in 1923 door Mustafa Kemal [Atatürk] opgerichte Republikeinse Volkspartij [Cumhuriyet Halk Partisi, CHP], die in de jaren zeventig in socialistische richting evolueerde). Daarnaast heb je de Fazilet Partisi van Recai Kutan (traditionalistisch islamitisch) en de MHP(Nationaal actie partij) van Devlet Bahçeli. De grondwet van 1982 erkent het recht op vakbondsvorming en het stakingsrecht. Het grootste overkoepelende vakverbond is Türk-is (Confederatie van Turkse vakbonden), opgericht in 1952 en lid van de Internationale Federatie van Vakverenigingen. De voornaamste Turkse werkgevers zijn verenigd in TUSIAD (Turkse Associatie van Industriëlen en Zakenlieden).

Staatshoofden

 

Mustafa Kemal Atatürk

Atatürk, Kemal (Saloniki 1881 - Istanbul 10 nov. 1938), Turks militair en staatsman, stichter en eerste president van de republiek Turkije. Zijn naam was eerst Mustafa Kemal. De naam Atatürk (= 'Vader van de Turken') kreeg hij in 1934 bij de invoering van achternamen in Turkije.

Van 1893 tot 1905 doorliep hij verscheidene militaire scholen. Als officier vocht hij in Libië tegen de Italianen (1912) en tijdens de Balkanoorlogen. Hij onderscheidde zich in de Eerste wereldoorlog bijzonder bij de verdediging van de Dardanellen (1915). Hij kreeg de titel Pasja (= generaal). In mei 1919 werd hij naar oostelijk Anatolië gezonden als inspecteur van de strijdkrachten. Direct begon hij het verzet te organiseren tegen de Grieken, die bij Smyrna waren geland, en tegen de regering te Istanbul, die een defaitistische politiek voerde tegenover de Geallieerden (zie ook geschiedenis). Te Erzurum en te Sivas werden nationalistische congressen gehouden.

Na een tijdelijke verzoening met de regering, die in maart 1920 eindigde met de ontbinding van het pas gekozen parlement, kwam in Ankara een Grote Nationale Vergadering bijeen onder leiding van Kemal. De Grieken werden in 1921 verslagen bij Inönü en bij de Sakarya, waarbij Atatürk de eretitel 'Gazi' (= 'Overwinnaar') verwierf. Na de val van Smyrna in sept. 1922 werd het nieuwe bewind erkend. Bij de Vrede van Lausanne werd het vernederende Vredesverdrag van Sevres herzien en de onafhankelijkheid van Turkije hersteld. Sultan Mehmed VI werd afgezet. In 1924 werd ook het kalifaat afgeschaft. Op 29 okt. 1923 werd de republiek uitgeroepen met Atatürk als president. Hij bleef dit tot zijn dood.

De grondwet van 1924 gaf hem grote bevoegdheden, die hij gebruikte voor een radicale hervorming van het oude Turkije naar West-Europees model. De politieke en sociale hegemonie van de islam verdween. In enkele jaren tijds schafte hij de Religieuze Wet en alle daarmee verbonden instellingen af. Ook uiterlijk werd met het verleden gebroken door het verbod van de fez. De enige partij was de Republikeinse Volkspartij, gebaseerd op het Kemalisme. In okt. 1927 gaf Atatürk in een zes dagen durende rede (nutuk) zelf een overzicht van zijn revolutie. De invoering van het Latijnse schrift (1928) was het begin van een zuivering van het Turks van Arabische en Perzische elementen. De economie kwam in de crisisjaren geheel onder controle van de staat. Met de buurlanden wist Atatürk steeds goede betrekkingen te handhaven.

Bij zijn dood was de herleving van Turkije als moderne nationale staat een feit. Inonu, jarenlang eerste-minister, volgde hem op als president. In 1953 is Atatürk bijgezet in een mausoleum (architecten: Emin Onad en Orhan Arda) bij Ankara.

Ismet Inönü

Inönü, Ismet, oorspronkelijk: Mustafa Ismet (Izmir 24 sept. 1884 - Ankara 25 dec. 1973), Turks generaal en staatsman, werd na de Eerste Wereldoorlog chef van de generale staf. In april 1921 stuitte hij bij het dorp Inönü de opmars van de Grieken. Aan dit feit ontleent hij de familienaam, die hij in 1934 aannam. Vanaf 1923 was hij met een korte onderbreking (nov. 1924 - maart 1925) premier en naaste medewerker van Kemal Atatürk tot sept. 1937.

Op 11 nov. 1938 volgde hij Atatürk op als president en als leider van de Republikeinse Volkspartij. In 1945 stond Inönü de vorming van oppositiepartijen toe. Toen de nieuwe democratische partij, afgesplitst van de republikeinen, in 1950 een grote overwinning behaalde, trad Inönü af. De volgende tien jaar was hij oppositieleider. Zijn schorsing als parlementslid in 1960 was een van de aanleidingen tot de militaire staatsgreep van 27 mei. Inönü werd nu het symbool voor de terugkeer naar de idealen van Atatürk. In 1961 vormde hij een burgerregering. Hij trad af in febr. 1965, toen de begroting werd verworpen. Bij de verkiezingen van okt. 1965 verloor hij van Süleyman Demirel. Ondanks zijn hoge leeftijd bleef Inönü actief in de Turkse politiek als leider van zijn partij.

Kenan Evren

Evren, Kenan (Alasehir 1 jan. 1917), Turks generaal en politicus, nam met een Turks contingent deel aan de Korea-oorlog. In 1978 werd hij stafchef-generaal van de Turkse strijdkrachten. In deze positie drong hij er bij politici op aan anarchie, terrorisme en seperatisme in het land te beteugelen.

Toen de politieke partijen geen nieuwe president wisten te kiezen, voerde het leger in 1980 een staatsgreep uit. Een Nationale Veiligheidsraad onder zijn leiding nam de macht over, kondigde de staat van beleg af en verbood alle politieke activiteiten. Evren werd zelf president; hij stelde zich ten doel de politieke terreur te bestrijden en de economie te saneren. Er volgden tienduizenden arrestaties van politici, vakbondsleiders en politieke activisten. Een nieuwe grondwet verschafte hem in 1982 nog meer volmachten en maakte hem president voor zeven jaar. In 1983 droeg hij de functie van stafchef-generaal over aan generaal Ersin en sindsdien was hij burgerpresident.

De regering van premier Özal stabiliseerde de politieke situatie en liberaliseerde de economie. De presidentsverkiezingen van 1989 werden door premier Özal gewonnen. Op 9 nov. van dat jaar trad Evren af.

Turgut Özal


Özal, Turgut (Malatya, Oost-Anatolië, 13 okt. 1927 - Ankara 17 april 1993), Turks staatsman, volgde een opleiding tot elektro-ingenieur te Istanbul en studeerde economie. In 1965 werd hij hoofd van het Staatsplanbureau onder minister-president Demirel.

Na enige jaren bij de Wereldbank in New York te hebben gewerkt, saneerde hij vele Turkse bedrijven en werd in 1979, weer onder Demirel, verantwoordelijk voor het planningsbeleid van de regering, ook na de militaire staatsgreep in 1980, toen hij vice-premier werd. Vanwege zijn omstreden economische politiek was hij in 1982 gedwongen af te treden.

Özal richtte toen de Moederlandpartij op en won hiermee in nov. 1983 bij de parlementsverkiezingen de absolute meerderheid. Hij vormde een regering, die zich vooral bezighield met het terugdringen van de militaire invloed op de politiek en de economie. Özal behield bij de verkiezingen van 1987 nog net zijn meerderheid, maar sindsdien ging het met zijn intern verdeelde Moederlandpartij bergafwaarts. Er kwam groeiende kritiek op de rol van familieleden van de premier in de Turkse politiek. In juni 1988 mislukte een moordaanslag op Özal. Nadat zijn partij bij lokale verkiezingen een grote nederlaag had geleden, liet Özal zich op 31 okt. 1989 door het parlement tot president kiezen. In okt. 1991 leed zijn partij bij de verkiezingen een nederlaag, waardoor deze haar meerderheid in het parlement verloor.

Süleyman Demirel


Demirel, Süleyman (Isparta 1924), Turks politicus, studeerde waterbouwkunde en was o.m. directeur van Rijkswaterstaat. Zijn politieke carrière begon na zijn verkiezing tot voorzitter van de Rechtvaardigheidspartij in 1964.

Van oktober 1965 tot maart 1971, toen het leger hem tot aftreden dwong, was hij premier. In maart 1975 trad hij opnieuw op als eerste-minister van een regering die in 1977 haar meerderheid verloor. Daarna werd hij oppositieleider. In okt. 1979 werd hij opnieuw premier van een instabiel coalitiekabinet, dat niet in staat bleek het hoofd te bieden aan het toenemende politieke geweld in Turkije. Op 12 sept. 1980 werd hij bij een staatsgreep afgezet. Hij werd korte tijd gedetineerd en uitgesloten van politieke activiteit. Achter de schermen richtte hij de Partij van het Juiste Pad (DYP) op, waarvan hij in sept. 1987 weer openlijk de leiding op zich kon nemen.

Zijn Partij van het Juiste Pad (DYP) behaalde in okt. 1991 een verkiezingsoverwinning en Demirel vormde een coalitieregering. Na de dood van president Turgut Özal op 17 april 1993 koos het parlement hem tot president.

Ahmet Necdet Sezer

Ahmet Necdet Sezer nam op 16 mei 2000 het presidentieel mandaat over van Süleyman Demirel. Hij was tot dan voorzitter van het Constitutionele Hof en oogstte in 1999 waardering met zijn kritiek op de machtige positie van het leger en de "ondemocratische grondwet". Hierdoor verwierf Sezer zelfs de steun van de fundamentalisten (Partij van de Deugd) hoewel hij indertijd persoonlijk de Welvaartspartij (Refah) verboden had. Stafchef, generaal Kivrikoglu liet al weten Sezer "nauwgezet te zullen volgen".
Sezer werd in Afyon geboren en begon na, studies in de rechten, een loopbaan als rechter in Ankara. In 1988 werd hij lid van het Constitutioneel Hof, waarvan hij tien jaar later de voorzitter werd.

Economie

 

Algemeen
Turkije heeft een vrijemarkteconomie, waarin de particuliere sector overheerst. Door de associatie met de EU, een planmatig ontwikkelingsbeleid en toenemende inkomsten uit gastarbeid werd vanaf 1965 jaarlijks een bevredigende economische groei gerealiseerd. Na de coup van 1980 werd volgens IMF-recept een drastisch economisch herstructureringsprogramma doorgevoerd. Dit was gericht op exportbevordering, beteugeling van de inflatie en bezuinigingen. De rente werd verhoogd en de lonen bevroren en subsidies op landbouwproducten afgeschaft. Turkije wilde buitenlandse investeringen aanmoedigen. De overheidsuitgaven werden vooral gericht op investeringen in de infrastructuur (grote stuwdam- en wegenbouwcomplexen) en het toerisme. Deze economische politiek leverde aanvankelijk succes op: de export groeide, het tekort op de betalingsbalans liep terug en de inflatie daalde. Maar na 1985 namen inflatie en werkloosheid weer toe en daalde de koopkracht. De buitenlandse investeringen vielen tegen en de buitenlandse schuldenlast was opgelopen tot $ 73,6 miljard in 1995. In 1997 was de economie echter weer met ruim 5% gegroeid en schommelde de officiële werkloosheid rond de 6,5%. De inflatie bleef met 80% hoog. Van de bevolking is bijna de helft werkzaam in de agrarische sector, waarvan de productiviteit (16% van het bnp) niet erg hoog is. Ongeveer 20% van de beroepsbevolking werkt in industrie en mijnbouw, die ca. 30% bijdraagt aan het bnp. De dienstensector en het overheidsapparaat zijn relatief omvangrijk (31% van de beroepsbevolking, 52% van het bnp). Veel inkomsten krijgt Turkije uit het toerisme (in 1995 $ 5 miljard) en de overmakingen van gastarbeiders.

Bankwezen
Het bankwezen wordt sinds 1931 beheerst door de Merkez Bankasi, de centrale bank. Er zijn ca. 60 grote (ook internationale) bankinstellingen. De Etibank verschaft kredieten voor mijnbouw en energie, de Sümerbank voor industrie. Ook voor landbouwkredieten bestaat een staatsbank. De grootste commerciële bank is de Türkiye Is Bankasi.

Landbouw, veehouderij, bosbouw en visserij
De productie van de agrarische sector maakt Turkije vrijwel autarkisch op het gebied van de voedselvoorziening. Ongeveer eenderde deel van het totale grondgebied is in cultuur gebracht, waarvan echter grote delen te lijden hebben onder erosie en verwaarlozing. Er wordt relatief weinig gebruik gemaakt van irrigatie. De meeste bedrijven zijn vrij klein; 50% van de boeren bezit minder dan 5 ha land. Ongeveer eenderde deel van de agrarische beroepsbevolking bestaat uit pachters of landloze arbeiders. Ondanks landhervormingen (bijv. in 1945 en 1973) is de ongelijke verdeling van grond blijven bestaan. De versnippering staat grootschalige gemechaniseerde landbouw vaak in de weg. Sinds 1963 bestaan er verschillende vormen van agrarische coöperaties. De agrarische productie, overwegend voor de binnenlandse markt, groeide in de jaren tachtig gemiddeld 4% per jaar. Het aandeel van landbouwproducten in het exportpakket daalde. Met de voltooiing van de Atatürkdam in Oost-Turkije hoopt men in de jaren negentig het landbouwareaal en daarmee de productie aanzienlijk te kunnen uitbreiden.

De helft van de landbouwgronden, vooral op het centrale hoogland, wordt benut voor de verbouw van granen, vooral tarwe en in mindere mate gerst, rogge en haver. Langs de Zwarte-Zeekust worden maïs en thee verbouwd. Lokaal produceert men rijst en suikerbieten. In de vruchtbare streken langs de Egeïsche en de Zwarte Zee is groenteteelt en worden druiven, vijgen en olijven verbouwd. Bij Trabzon worden op grote schaal hazelnoten geteeld, terwijl Samsun bekend is om zijn tabaksproductie. De productie van papaver voor de farmaceutische industrie (opium), tussen 1972 en 1974 verboden, geschiedt onder staatstoezicht, vooral nabij Afyon. Vooral de productie van het belangrijkste exportproduct katoen (omgeving Izmir en Adana) neemt mede door de mechanisatie toe. Veehouderij heeft vooral plaats op de hoogvlakte. Bijna 50 miljoen schapen van het Karamantype leveren melk, vlees en huiden. Een betere kwaliteit wol leveren de bij Bursa geïntroduceerde merinoschapen. De angorageit levert de mohairwol. Overbegrazing vormt in Turkije een probleem. Bosbouw is van betekenis voor de productie van timmer- en brandhout. Ongeveer eenvierde deel van het landoppervlak bestaat uit bosgebied. 85% van alle bossen zijn staatsbezit. Visserij rond Istanbul, langs de Zwarte-Zeekust en de Golf van Iskenderun is van geringe betekenis, mede door eerdere overbevissing.

Mijnbouw en energievoorziening
Vooral het oostelijk gedeelte van Turkije is rijk aan delfstoffen. Chroom wordt hoofdzakelijk gewonnen in het zuidoosten (bij Iskenderun), bij Antalya en rond Eskishehir. Turkije is de vierde chroomproducent van de wereld. De Turkish Iron and Steel Corporation exploiteert ijzererts tussen Sivas en Erzurum. Langs de kust van de Zwarte Zee wordt een slechte kwaliteit steenkool gedolven. In West-Anatolië vindt in dagbouw bruinkool(ligniet)winning plaats (Turkije is de zevende bruinkoolproducent van de wereld). De betekenis van de bauxietwinning is aanzienlijk toegenomen. Voorts worden er nog koper, zink, fosfaat, wolfraam, magnesium en kwik gedolven. In het zuidoosten, bij Iskenderun en Batman, wordt aardolie gewonnen, maar de reserves zijn niet groot. Er zijn aardolieraffinaderijen te Mersin, Izmit, Batman en Aliaga (bij Iskenderun). Een pijpleiding verbindt de olievelden van Batman met de haven Dörtyol. Sinds 1977 is er een pijpleiding die de olievelden van Kirkuk (Irak) verbindt met Iskenderun. Volgens een wet uit 1980 zijn buitenlandse investeringen in de winning van delfstoffen in Turkije mogelijk tot 49%. De staat is bij de delfstofwinning betrokken via o.a. de Mining Investment Bank en de Turkish Petroleum Corporation. De energievoorziening vindt plaats door eigen en bovenal geïmporteerde aardolie (vooral uit Irak en Iran), brandhout en steenkool. In toenemende mate wordt ook energie opgewekt door middel van waterkrachtcentrales. Het Grote Anatolië Project, (GAP) met de bouw van een stuwdammencomplex in de Eufraat, moet voor een aanzienlijke uitbreiding van de productie van hydro-energie leiden (Keban-, Karakaya- en Atatürkdam). Er zijn contracten gesloten met een aantal voormalige sovjetrepublieken betreffende de levering van aardolie en -gas.

Industrie en handel

 

Industrie
Het kleinbedrijf (minder dan vijf werknemers) overheerst. De voornaamste bedrijfstakken zijn de katoen- en de confectie-industrie, die tevens een groot deel van de industriële export voor hun rekening nemen. Grote ijzer- en staalfabrieken bevinden zich in Iskenderun, Eregli en Karabük. Er zijn enkele tientallen cementfabrieken. De suiker- en papierindustrie (Izmir) zijn in staatshanden, evenals de petrochemische industrieën in Izmit en Aliaga. De auto-industrie, vnl. assemblage, komt op in de grote steden. De meeste industrie (tabak, chemie, farmacie, kunstmest, leer, glas, frisdranken, verwerkende industrie) is geconcentreerd in de grote steden Istanbul, Ankara en Izmir. Nieuwe industriële centra zijn Iskenderun en Adana. Naast de gemechaniseerde industrie is het traditionele ambacht nog sterk vertegenwoordigd.

Handel
Vraag een Turk wat zijn beroep is, dan is er een gerede kans dat hij 'handelaar' zegt. Turkije is het land van de handel, de hele bevolking lijkt zich met deze bedrijfstak bezig te houden. In de kleine steegjes van Istanbul zijn overdekte bazaars, waarin alles beweegt. de handelaars verkopen eau de cologne, zakmessen, gebakjes, Turks fruit (Lokum), aanstekers, tassen, wasmachines, tapijten, noem maar op. De handelsgeest is ontstaan tijdens de Osmaanse Rijk, toen er een vrije markteconomie was. Ook nu nog gaan de goederen driftig van hand tot hand. Het overhandelen over de prijs neemt daarbij een belangrijke plaats in. Nu is het zo dat er in Turkije al lang vaste prijzen bestaan van normale gebruiksgoederen, maar op de markt of in een klein snuisterijenwinkeltje kunnen de toeristen proberen wat van de prijs af te knabbelen. Afdingen heet het. De verkopers zijn uiterst geraffineerd, klagen steen en been als er een te lage prijs wordt gevraagd, maar het hoort allemaal bij het spel. Vooral de tapijthandelaren uit Kayseri kunnen er wat van.

De tekorten op de handelsbalans worden voor een belangrijk deel goedgemaakt door inkomsten uit toerisme en gastarbeid. De export, die vroeger hoofdzakelijk bestond uit landbouwproducten (katoen, graan, noten, tabak) is in de jaren tachtig gediversifieerd. Vooral de export van textiel en metaal nam toe. De voornaamste afnemers zijn Duitsland (22%), Italië (7%), de Verenigde Staten (7%) en landen in het Midden-Oosten (8%). De voornaamste importartikelen zijn aardolie, machines, auto's en chemische producten. De belangrijkste leveranciers zijn Duitsland (16%), de Verenigde Staten (10%) en de EU-landen.

Verkeer

 

Verkeer
Er is een uitgebreid net van verkeersverbindingen. Het spoorwegnet van ca. 9000 km wordt beheerd door de staatsspoorwegmaatschappij TCDD. Er is een wegennet van ca. 60.700 km geasfalteerde en 172.000 km verharde weg. Sinds 1978 zijn er nieuwe bruggen over de Gouden Hoorn en de Bosporus in Istanbul. Het interlokale wegverkeer wordt verzorgd door een reeks efficiënt werkende particuliere busondernemingen en (groeps)taxi's. Er zijn internationale luchthavens te Yesilkoy (Istanbul), Esenbôga (Ankara), Adnan Menderes (Izmir), Adana, Dalaman, Erzurum en Antalya en 17 vliegvelden voor binnenlandse vluchten. De nationale luchtvaartmaatschappij is Türk Hava Yollari (THY, Turkish Airlines).

 

Geschiedenis

 

Seldjoeken
Seldjoeken, Turks geslacht dat in het begin van de 11de eeuw de leiding kreeg over de in West-Toerkestan nomadiserende Ghoezen. De stamvader was Seldjoek (midden 10e eeuw), maar als de eigenlijke grondlegger van hun macht geldt Tughrul Bey, kleinzoon van Seldjoek, die in de eerste helft van de 11de eeuw Perzië met de aangrenzende gebieden onderwierp en Bagdad van hem afhankelijk maakte. In 1058 werd Tughrul kalief van Bagdad. Met deze Seldjoekenverovering van Perzië begon de overheersing van het Turkse element in het oosten van de islamitische wereld. Na het bewind van de sultans Alp Arslan (1063-1072) en Malik Sjah (1072-1092) kwam er een einde aan de eenheid van het Seldjoekenrijk. In de 12de eeuw viel het uiteen onder verschillende nevenlinies van het geslacht, zoals de Seldjoeken van Kirman (1041-1186), van Irak (1118-1194) en van Syrië (1078-1117). Een zeer belangrijke neventak was die van de zgn. Roem-Seldjoeken, die in de loop van de 12de eeuw bijna geheel Klein-Azië veroverden en tot ca. 1302 vanuit de hoofdstad Konya over dit gebied heersten. Zij waren de voorlopers van de Osmaanse Turken.

Beeldende kunst
De belangrijkste vernieuwingen en tevens de belangrijkste bewaard gebleven kunstwerken zijn te vinden in de - sacrale - architectuur, waarbij de Seldjoeken een geheel nieuw element invoerden: de decoratie van zowel in- als exterieur met baksteenpatronen en geglazuurde tegels.

Perzië
In Perzië ontwikkelden de Seldjoeken een nieuw type moskee, teruggaande op paleizen der Sassaniden, met een centrale open binnenplaats waarop vier grote liwans uitkomen; de liwans, aanvankelijk vrij strak, werden in de loop van de ontwikkeling steeds rijker versierd (stalactietgewelf). Belangrijkste voorbeeld van een zgn. liwanmoskee is de Vrijdagmoskee of Masdjid-Djoem'a te Isfahan (1088). Ook naar de koepelbouw ging hun hernieuwde belangstelling uit (Masdjid-i-Djoem'a te Qazvin, 1113). De Seldjoeken creëerden de madrasa als nieuw type gebouw, waarbij vrijwel dezelfde architectonische principes werden gebruikt als bij de moskee (voorbeelden te Nisjapoer, Toes en Bagdad).

Ook ontwikkelden zij een nieuw islamitisch grafmonument: de goembat of türbe, een meestal ronde, soms stervormige of meerhoekige (graf)toren, vaak twee verdiepingen hoog, voorzien van een kegelvormig dak. De enkele toegangsdeur leidt naar de (op de bovenste verdieping gelegen) grafkamer. In tegenstelling tot de graftorens uit Anatolië waren ze in Perzië meestal weinig versierd, soms alleen maar met een inscriptieband. De Goembat-i-Qaboes (1006) en de toren bij Radkan (1281) in Oost-Perzië behoren tot de fraaiste voorbeelden. De laatste toont vrij duidelijk de vermoedelijke herkomst van dit vreemde gebouw: de oude Mongoolse nomadentent. De belangstelling voor de koepel deed hen ook koepelgraven bouwen, uiterlijk bijna niet te onderscheiden van de graftorens.

Van de toegepaste kunsten dienen vooral aardewerk en metaalwerk vermeld te worden. Van de aardewerkproductie waren de centra Rajj en Kashan. Het aardewerk werd vervaardigd op verschillende wijzen, waarvan de 'lakabi-waar' (= beschilderd), de China-imitaties en de minai-waar (geëmailleerd), de voornaamste zijn. Hun metaalwerk, vnl. tafelgerei, is in brons, goud of zilver, met gegraveerde decoratie of met zilver of goud ingelegd.

Anatolië
In Anatolië waren de Roem-Seldjoeken, vooral wat betreft de structuur van moskeeën en madrasa's en de motieven van beeldhouwwerk en mozaïek, erg afhankelijk van het Oosten, m.n. van Perzië. De architectuur, ook hier de belangrijkste kunstvorm, is nochtans duidelijk te onderscheiden van de Perzische, o.m. in de Byzantijnse invloed, herkenbaar in het gebruik van natuursteen in plaats van baksteen, en tevens in bepaalde technieken en stijlen. Wat de sacrale architectuur betreft, hielden de Roem-Seldjoeken vast aan de schema's van de koefa- en de transeptmoskee, zonder de liwans over te nemen. Kenmerkend voor het eerste type zijn de Grote Moskee te Sivas en de Ala'eddin-moskee te Konya; voor het tweede type is de moskee te Diyarbakir karakteristiek.

Ook bij de madrasa's kunnen we twee types onderscheiden: één met open voorhof (= Perzisch type), zoals de Tshift Minare te Erzurum, en een tweede met een gesloten koepelruimte (Turks type), zoals de Büyuk Karatay te Konya. Het meest kenmerkende gebouwentype van de Roem-Seldjoeken is echter de karavanserai of chan. Deze meestal vestingachtige gebouwen, opgericht langs de belangrijkste karavaanwegen, op ongeveer 30 km van elkaar, hebben alle ongeveer hetzelfde bouwschema: rechthoekig, slechts één ingang aan de smalle zijde, waarlangs men een open hof bereikt waarop de vertrekken uitkomen, en achteraan, aan de andere smalle zijde, een grote overkoepelde centrale hal. Er was ook steeds een kleine moskee bij het gebouw. Langs de weg van Konya tot Kayseri staan de fraaiste, waarvan de Sultan Han uit 1229 de meest bekende is.

Deze drie gebouwentypes, moskeeën, madrasa's en chans, hebben als gemeenschappelijk kenmerk de rijkelijk uitgewerkte toegangspoorten volgens een geheel nieuwe stijl: rechthoekig grondplan, stalactietnis aan de bovenzijde en omlijsting van kleine zuilen. Omdat de Roem-Seldjoeken gewoonlijk de stichter van een madrasa begroeven in de buurt van zijn school, komen ook talrijke goembats of graftorens voor.

Van hun paleizen en militaire bouwwerken geven nog slechts vnl. ruïnes een indruk, te Konya, Kayseri, Diyarbakir en Koebadabad; alleen in de havenstad Alanya bleef een Roem-Seldjoekse vesting intact (citadel, toren, scheepswerf). Aan toegepaste kunstvoorwerpen zijn van de Roem-Seldjoeken eveneens artistiek hoogstaande keramiek, houtsnijwerk en textiel bekend. In het Museum voor Turks-islamitische kunst in Istanbul, het ethnografisch museum te Ankara en het Mevlana-museum te Konya zijn mooie collecties bewaard.

Syrië en Irak
De Seldjoeken van de andere nevenlinies, vooral in Syrië en Irak, hielden trouwer vast aan de traditionele moskee- en madrasabouw. Pas laat, in de 13de eeuw, verscheen met de Roekh-moskee te Damascus een eerste koepelmoskee. In Mosoel, Bagdad en Aleppo zijn verder nog mooie voorbeelden van militaire en civiele architectuur bewaard. Ten slotte valt nog te vermelden de miniatuurschilderkunst (School van Bagdad, 13de eeuw), de reliëfkeramiek en het bronsinlegwerk uit Mosoel, en het geëmailleerde en vergulde glas uit Aleppo, dat sinds de 12de eeuw het glascentrum bij uitstek was.

Osmaanse Rijk
De bakermat van Turkije was een van de vele kleine vorstendommetjes die zich na het uiteenvallen van het Seldjoekenrijk in Klein-Azië hadden gevormd. Hierover aanvaardde ca. 1300 Osman de macht (vandaar de namen Osmaanse of Ottomaanse Rijk en Osmaanse of Ottomaanse Turken. Vastberaden breidde Osman het staatje uit, vooral ten koste van Byzantijns gebied. Omstreeks 1326 werd Broessa (Bursa) ingenomen, dat tot hoofdstad werd uitgeroepen.
Osmans zoon en opvolger Orhan (regeerde 1323/1324-1360) ondernam de eerste invallen aan de overkant van de Hellespont. Moerad (Murad) I (1360-1389) en Bajezid (Bayezid) I (1389-1402) maakten in deze richting geweldige veroveringen (Bulgarije, Servië;Slag bij Kosovo Polje, 1389).

Edirne, veroverd in 1362, werd de Europese hoofdstad. Bajezid breidde de veroveringen uit tot Griekenland en in het noorden tot de Donau, waar hij in 1396 bij Nikopolis de verbonden Franse, Hongaarse en Duitse legers versloeg. In Klein-Azië werden de meeste Turkse vorstendommetjes geannexeerd of veroverd. In de Slag bij Ankara (1402) werd Bajezid echter door Timoer Lenk gevangen genomen, waarna zijn zoons vluchtten.

Bajezids zoon Mehmed I wist in 1413 het rijk te herstellen (regeerde tot 1421). Onder Moerad (Murad) II (1421-1444; 1446-1451) werd de restauratie voltooid en begonnen de veroveringen weer (Saloniki). In Albanië waren de Osmanen intussen met Venetië en aan de Donau met Hongarije in conflict geraakt. Een belangrijke uitbreiding van het grondgebied brachten de veroveringen van Mehmed II (1444-1446; 1451-1481). In 1453 nam hij Constantinopel in, gevolgd door de verovering van de rest van het Byzantijnse gebied. In 1467 breidde hij de Turkse macht uit naar het oosten (Kastamonu, Trebizonde = Trabzon).

Op het Balkanschiereiland ontnam hij Venetië grondgebied. Voorts maakte hij Moldavië en Walachije voorgoed schatplichtig. Onder Selim I (1512-1520) kwam het rijk in conflict met Perzië. In 1514 werd de Perzische sjah bij Tsjaldiran verslagen, wat de Osmaanse macht in Zuidoost-Turkije en het noorden van Mesopotamië bevestigde. In 1516 veroverde Selim Syrië op Egypte en in 1517 Egypte zelf. Arabië (met Mekka en Medina) erkende de Osmaanse opperheerschappij.

Onder sultan Süleyman I (1520-1566) kreeg het Osmaanse Rijk zijn grootste uitbreiding en kwam tevens het regeringssysteem tot volle ontplooiing. Hongarije werd veroverd (Slag bij Mohács, 1526) en Wenen belegerd (1529). Tegen Perzië ondernam Süleyman met succes een aantal veldtochten. Voorts beheerste hij de Middellandse Zee. De sultan bezat absolute macht (voor behoud van de eenheid doodde een nieuwe sultan zijn broers) en regeerde met zijn gunstelingen door middel van de twee keurkorpsen: janitsaren en sipahi's (ruiterij van leenmannen). Een zekere sociale onafhankelijkheid genoot de geestelijke stand van de oelama's. De talrijke christelijke en joodse onderdanen van de sultan waren onder hun eigen religieuze hoofden georganiseerd. Ditzelfde gold voor de vreemdelingen, vooral kooplieden, die door hun consuls en gezanten werden geadministreerd, tot de rechtspraak toe.

Onder Süleymans opvolgers stagneerde de uitbreiding van het rijk. Zijn opvolger Selim II (1566-1574) liet de leiding van de regering aan de grootvizier Mehmed Sokullu over; onder hem leed de Turkse vloot bij Lepanto in 1571 een gevoelige nederlaag tegen o.m. de Spanjaarden en Venetianen. De belangrijkste buitenlandse tegenstanders waren echter tot in het begin der 18de eeuw Oostenrijk en Perzië. De naar beide zijden gevoerde oorlogen maakten onophoudelijk veldtochten nodig. In de loop van de 17de eeuw werd het rijk door slecht bestuur en militaire opstanden verzwakt. De grootviziersfamilie van de Köprülü wist sedert 1656 krachtiger leiding te geven; in 1669 werd Kreta op de Venetianen veroverd. Aan de westelijke en noordelijke grenzen had het Osmaanse Rijk steeds met geweld of diplomatie haar autoriteit weten te handhaven, zozeer, dat ook Polen en Rusland sterk onder Osmaanse invloed kwamen.

Een ommekeer in de machtsverhouding volgde na de in 1683 ondernomen veldtocht tegen Oostenrijk. Deze begon met de tweede belegering van Wenen. Nadat de stad door de Polen ontzet was, werden de terugtrekkende Turken keer op keer verslagen, zodat zelfs een deel van Hongarije door de Oostenrijkers werd heroverd. Een lange krijgsperiode volgde, waarin de Turken tevens met Venetië, Polen en Rusland in oorlog raakten. Bij de Vrede van Karlowitz (1699) moest Turkije ten slotte zijn aanspraken op een groot deel van Hongarije opgeven, terwijl ook de andere vijanden gebiedsvoordeel verkregen. Aan Oostenrijk ging ook de rest van Hongarije verloren (Vrede van Passarowitz, 1718) en op den duur bleef de Donau de grens.

De negentiende eeuw
In het midden van de 18de eeuw ontstond weer een heftig conflict met Perzië. De gevaarlijkste tegenstander van de Turken werd echter Rusland. De in 1768 uitgebroken oorlog bracht in 1774 de Vrede van Küçük Kaynarca, waarbij de Krim en Azov voor het Osmaanse Rijk verloren gingen. Na een nieuwe oorlog (1784-1792) werd de Dnepr de grens tussen beide rijken. Mahmoed (Mahmud) II (1808-1839) hervormde het leger en liet in 1826 het voor de sultan inmiddels gevaarlijk geworden, conservatieve janitsarenkorps uitmoorden. Onder hem begon ook de Griekse opstand, die in 1830 met de afscheiding van Griekenland eindigde, terwijl de Vrede van Edirne (1829) Ruslands meerderheid bewees.

In 1839 begon een nieuwe periode, Tanzimat, waarbij van hogerhand hervormingen werden ingevoerd om het rijk te moderniseren. Rusland bleef de gevaarlijkste tegenstander. In 1853 kwam het met dit land tot de Krimoorlog, waarin Frankrijk en Groot-Brittannië aan de zijde van Turkije stonden. Het einde van deze oorlog, de Vrede van Parijs (1856), toonde de machteloosheid van de sultan (Walachije, Moldavië en Servië werden autonoom).

Hervormingen in westerse zin, geproclameerd door Abdül-Medjid (Abdül-Mecid) (1839-1861), werden niet doorgevoerd en wekten onlusten in vele delen van het rijk, die, zoals Syrië en Arabië, naar onafhankelijkheid streefden. Sultan Abdül-Hamid II (1876-1909) beloofde onder drang van de mogendheden en van enkele liberalen wel hervormingen (grondwet 1876), maar regeerde in feite reactionair en tiranniek. Opstanden op de Balkan leidden tot ingrijpen van Rusland (Russisch-Turkse Oorlog 1877-1878), dat tot vlak bij Constantinopel doordrong.

Het Congres van Berlijn (1878) bracht voor de sultan wel enige verlichting, maar deze was nu geheel afhankelijk van de mogendheden. Cyprus kwam onder Brits bestuur, Bosnië onder dat van Oostenrijk-Hongarije, Griekenland kreeg uitbreiding van gebied. Roemenië werd geheel onafhankelijk en Bulgarije werd een autonome provincie. Daarna volgden nieuwe moeilijkheden: in 1882 werd Egypte onder Brits beheer geplaatst; in 1897 ontstond oorlog met Griekenland, waardoor Kreta onder een Griekse gouverneur kwam. In 1905 werd de Balkankwestie buiten de sultan om geregeld. Een Jong-Turkse beweging (zie Jong-Turken), die door liberale hervormingen de nationale kracht wilde versterken, werd gesteund door de mogendheden: in 1908 moest Abdül-Hamid de grondwet van 1876 werkelijk invoeren (hij werd in 1909 afgezet, omdat hij de reactie weer steunde).

Turkije was inmiddels financieel geheel afhankelijk van de mogendheden en ging gebukt onder een zware schuldenlast. Duitse officieren waren intussen belast met de hervorming van het leger. In 1911 viel Italië Turkije in Tripoli aan, een oorlog die leidde tot het verlies van dit land en van de Dodekanesos. Griekenland, Bulgarije en Servië ontketenden de Eerste Balkanoorlog (1912-1913), die na een korte vrede het Turkse Rijk in Europa reduceerde tot een klein gebied rondom Constantinopel. In de Eerste Wereldoorlog koos Turkije, onder aandrang van de toen machtige Jong-Turken, de zijde van Duitsland. De Dardanellen werden met succes verdedigd, op de Balkan en in het oosten werden eerst enige successen behaald, maar ten slotte drongen de geallieerden in het oosten op. Arabië maakte zich onafhankelijk en in oktober 1918 moest Turkije capituleren. Bij het Vredesverdrag van Sèvres behield het alleen Constantinopel en Klein-Azië zonder de westelijke kuststrook.

Tegen de afloop van de oorlog kwam het nationalisme in verzet. Hierin vervulde Mustafa Kemal Ataturk (na 1934 Kemal Atatürk geheten) de hoofdrol. Een in Ankara bijeengekomen Nationale Vergadering proclameerde zich tot staatshoofd en begon de strijd tegen de Grieken (1920), die eindigde met de verovering van Izmir. De geallieerden legden zich hierbij neer, en bij het (nieuwe) verdrag, vastgesteld op de Conferentie van Lausanne (1923), behield het volledig onafhankelijke Turkije het in de wereldoorlog veroverde en ook Edirne en Cilicië. Intussen had een tweede Nationale Vergadering sultan Mehmed VI (1918-1922) afgezet.

De republiek tot 1950
Op 29 oktober 1923 werd een republikeinse grondwet geproclameerd. Atatürk werd president, Ankara hoofdstad. Atatürk wilde door modernisering naar westers voorbeeld cultuur en welvaart herstellen. Er kwam een scheiding tussen moskee en staat; het kalifaat werd afgeschaft, evenals andere uit de islam voortvloeiende functies.

Andere verboden betroffen de derwisj-orden en het dragen van sluier en fez. Het Latijnse alfabet werd ingevoerd en vooral aan het volksonderwijs werd grote zorg besteed. Met het oog op de economische ontwikkeling werd begonnen met de aanleg van een spoorwegnet in Anatolië. In 1932 trad Turkije toe tot de Volkenbond en in 1934 sloot het zich aan bij het Balkan-pact tegenover het op de Balkan opdringende Italië.

In 1936 verwierf Turkije het recht van militarisatie van de zee-engten. In oktober 1939 sloot Turkije met Frankrijk en Groot-Brittannië een wederzijds bijstandsverdrag. Inmiddels was in 1938 Atatürk overleden. Hij werd als president opgevolgd door Ismet Inönü. Hij zette de politiek van Atatürk voort: antireligieuze maatregelen en begunstiging van de officiële politieke partij, de Republikeinse Volkspartij.

In de Tweede Wereldoorlog bleef Turkije tot kort voor het eind militair neutraal. Wel zag het zich gedwongen tot het sluiten van een niet-aanvalsverdrag en van handelsverdragen met Duitsland. In 1944 wisten de geallieerden Turkije aan hun zijde te brengen, maar eerst in februari 1945 verklaarde het de oorlog aan Duitsland. Daardoor kon Turkije direct lid worden van de Verenigde Naties. De eerste jaren na 1945 was er voortdurend sprake van een gespannen verhouding met de Sovjet-Unie. Op militair, economisch en financieel (Marshallhulp) gebied raakte het land meer en meer afhankelijk van de Verenigde Staten. In 1949 trad Turkije toe tot de Raad van Europa.

Op binnenlands politiek terrein deed zich tussen 1945 en 1950 een aantal belangrijke veranderingen voor. In 1946 werd de kieswet herzien, waarbij de vorming van nieuwe politieke partijen werd toegestaan. Bij de verkiezingen van dat jaar verzekerde de Volkspartij zich weliswaar van de meerderheid van de zetels, maar de Democratische Partij onder leiding van Celâl Bayar boekte met 65 zetels een aanmerkelijk succes. Op instigatie van de Democratische Partij kwam in juli 1948 een nieuwe kieswet tot stand, met geheime verkiezingen en openbare stemmentelling. In de periode tot 1950 kwam voorts een einde aan de antireligieuze maatregelen.

De republiek na 1950
Bij de verkiezingen van mei 1950 behaalden de Democraten een enorme meerderheid van 407 van de 487 zetels in de Nationale Vergadering. Bayar volgde Inönü als president op en er werd een nieuwe regering gevormd met Adnan Menderes als premier. Deze volgde een wat liberalere economische politiek en trad krachtig op tegen religieuze groeperingen die tal van bereikte hervormingen van de Turkse revolutie afgeschaft wilden zien. Bij de verkiezingen van mei 1954 behaalden de Democraten opnieuw een overwinning. De regering voerde daarna een aantal wetten door die haar bevoegdheden sterk uitbreidden. De persvrijheid werd sterk aan banden gelegd. Dit alles bracht een gespannen verhouding teweeg tussen de regering en de oppositie. O.m. door de verslechterende economische situatie en de invoering en wijziging van een aantal wetten in juni 1956 (o.a. met betrekking tot de persvrijheid en het recht op openbare vergadering) werd de relatie tussen de Democraten en de oppositie nog gespannener.

De Democratische regeringen volgden een buitenlands beleid dat sterk op het Westen georiënteerd was. In 1952 trad Turkije toe tot de NAVO, in 1955 tot het Pact van Bagdad (later Centrale Verdragsorganisatie). In het begin van de jaren zestig werd de verhouding met de Sovjet-Unie beter.

Op 28 april 1960 demonstreerden studenten in Istanbul tegen de regering van Menderes. Op 27 mei 1960 pleegde een groep officieren onder leiding van generaal Cemal Gürsel een staatsgreep. De regering werd vervangen door een Comité van Nationale Eenheid onder leiding van Gürsel, die de functies van president, premier en minister van Defensie op zich nam. In januari 1961 werd een nieuwe Vergadering bijeengeroepen die als tijdelijk parlement moest fungeren, op 26 mei 1961 werd een nieuwe grondwet goedgekeurd, die o.m. voorzag in een twee kamers tellende wetgevende macht. Inmiddels werd een groot aantal leden van het afgezette Menderesregime tijdens een monsterproces berecht.

Op 15 september werden er o.m. vijftien mensen ter dood veroordeeld, een vonnis dat bij twaalf van hen, onder wie president Bayar, werd veranderd in levenslang. Menderes werd met anderen opgehangen (in 1962 en 1966 werd amnestie verleend, o.a. aan Bayar). Op 25 oktober 1961 werd het Parlement geopend en werd de macht door de militairen overgedragen aan de burgers.

Op 26 oktober werd generaal Gürsel, als enige kandidaat, gekozen tot president van de republiek. Inönü, de leider van de Volkspartij, zou aan het hoofd van drie achtereenvolgende kabinetten tot februari 1965 aan het bewind blijven. Hij werd geconfronteerd met de kwestie Cyprus, die binnenslands leidde tot gewelddadige protesten tegen de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. In april 1965 werden de meeste Grieken uit Turkije gezet als represaille tegen Griekse maatregelen met betrekking tot de Turkse gemeenschap op Cyprus.

Een overwinning van de Gerechtigheidspartij (AP) bij de verkiezingen van okt. 1965 bracht de leider van die partij, Süleyman Demirel, aan het bewind. Hij slaagde er niet in de economische problemen het hoofd te bieden. Demirel knoopte betere betrekkingen aan met verscheidene Oost-Europese en Arabische staten. In maart 1969 werd een nieuwe defensieovereenkomst gesloten met de Verenigde Staten, waarbij Turkije meer zeggenschap kreeg over de Amerikaanse militaire bases in Turkije.

Aan het einde van de jaren zestig werd de Turkse democratie van binnen uit bedreigd. Extreem linkse en rechtse groeperingen kwamen herhaaldelijk met elkaar in botsing. De linkse groeperingen streefden o.m. naar het verbreken van de militaire banden met het Westen, bepaalde extreem rechtse groeperingen verlangden de terugkeer naar een theocratie en een totalitair systeem, gebaseerd op de islam en pan-turkisme. Botsingen tussen deze groeperingen leidden begin jaren zeventig tot grote binnenlandse politieke spanningen.

De verslechterde economische toestand veroorzaakte grote onrust. Demonstraties van studenten en arbeiders tegen de voorgestelde amendementen op de Wet voor Vakbonden deden de regering de noodtoestand in verscheidene provincies afkondigen. In Oost-Turkije ontstond een gespannen situatie door de activiteiten van de terroristische afscheidingsbeweging. In de steden opereerde een linkse ondergrondse guerrillabeweging, het Turkse Volksbevrijdingsleger, die ook aan de universiteiten sympathie ontmoette.

Op 12 maart 1971 nam het leger het heft in handen: de regering-Demirel werd tot aftreden gedwongen. Op 26 maart werd een nieuw coalitiekabinet geïnstalleerd met Nihat Erim als premier. Binnen het leger vonden uitgebreide zuiveringen plaats. In april 1971 werd de staat van beleg afgekondigd voor 11 van de 67 provincies. In maart 1972 werden 57 officieren uit het leger ontslagen op beschuldiging wapens te hebben verstrekt aan de stedelijke guerrillero's, ongeveer een maand later nam Erim ontslag.

In mei 1972 maakte Ferin Melen als premier de samenstelling van een nieuw kabinet bekend. Naar aanleiding van de opvolging van de sedert 1966 zittende president C. Sunay ontstond een politieke strijd tussen het parlement en het leger. Ten slotte werd een compromiskandidaat, senator en oud-admiraal Fahri Korutürk, tot president gekozen (april 1973).

Op 25 januari 1974 vormde Bülent Ecevit (Republikeinse Volkspartij, CHP) met de Partij voor Nationale Redding (NSP) een coalitieregering. Na een pro-Griekse staatsgreep op Cyprus greep Turkije op 20 juli 1974 in ten gunste van de Turkse gemeenschap aldaar. De invasie en de daaropvolgende bevrijding van een deel van het eiland brachten een verkoeling teweeg in de betrekkingen met de Verenigde Staten. Deze besloten tot een wapenembargo tegen Turkije, dat pas in 1978 zou worden opgeheven.

De betrekkingen met Europa werden echter nauwer aangehaald en er werd tevens toenadering gezocht tot de Sovjet-Unie. In september 1974 kwam het kabinet-Ecevit door een conflict tussen de coalitiepartners ten val. Pas op 31 maart 1975 slaagde Demirel (AP) erin een coalitie te vormen met de NSP, de Nationale Actie Partij (NAP) en een rechtse splinterpartij. Hij zocht toenadering tot de islamitische wereld. De spanning met NAVO-partner Griekenland nam toe, niet alleen wegens de kwestie-Cyprus, maar ook door een conflict over het continentaal plat in de Egeïsche Zee, waar aardolie was aangetroffen.

In het binnenland bleek de geweldsspiraal tussen links- en rechts-radicale groepen niet meer te stuiten. De 1-mei-viering in 1977 in Istanbul liep uit op een bloedbad. Bij de gewelddadig verlopen vervroegde verkiezingen op 5 juni 1977 behaalde de CHP een overwinning, maar geen absolute meerderheid. Daardoor kon Demirel zijn coalitieregering voortzetten tot hij in december 1977 bij een tussentijdse verkiezing de kamermeerderheid verloor. Ook het nieuwe kabinet, dat Ecevit op 5 januari 1978 met dissidenten uit de AP vormde, bleek niet bij machte het toenemend geweld te beheersen. In het najaar van 1978 kwam het tot gewelduitbarstingen. In steeds meer provincies en steden werd de staat van beleg afgekondigd. Na een nederlaag bij tussentijdse verkiezingen bood Ecevit op 14 oktober 1979 zijn ontslag aan. Op 12 november vormde Demirel een minderheidskabinet van uitsluitend AP-ministers.

De jaren tachtig en negentig
In 1979 bereikte de Turkse economie een dieptepunt met een inflatie van bijna 100%, gigantische werkloosheid en gebrek aan eerste levensbehoeften. Het overheidsgezag werd door straatterreur en politiek geweld steeds verder ondermijnd. De door de overheid nauwelijks bestreden activiteiten van de Grijze Wolven en die van de marxistische Dev Sol eisten honderden slachtoffers (onder wie op 19 juli 1980 oud-premier Nihat Erim).

In januari 1980 was het tot een bloedige opstand gekomen in Izmir. Na het verstrijken van de ambtstermijn van president Korutürk in april 1980 kon men het in het parlement echter niet eens worden over de keuze van een nieuwe president. Na een militaire staatsgreep op 12 september 1980 nam een Nationale Veiligheidsraad onder stafchef generaal Kenan Evren de macht over. Voor het hele land werd de staat van beleg afgekondigd en alle politieke activiteiten werden verboden. Evren, die zelf president werd, stelde zich ten doel de politieke terreur te bestrijden en de economie te saneren. Er werden talrijke zoekacties naar wapens gehouden en tienduizenden arrestaties verricht. Tal van politici, vakbondsleiders en politieke activisten moesten zich voor militaire rechtbanken verantwoorden.

Op 7 november 1982 werd een nieuwe grondwet per referendum goedgekeurd, hieraan was de verkiezing van generaal Kenan Evren tot president gekoppeld. Er was veel kritiek op beperkingen die aan politieke partijen en vakbonden waren opgelegd, het trage tempo van de democratisering en op de situatie van de mensenrechten. Niettemin werd aanvankelijk een tamelijk succesvol economisch beleid gevoerd door minister van Economische Zaken, Turgut Özal, en konden orde en rust in het land goeddeels hersteld worden.

In mei 1983 konden binnen de beperkingen van een Wet op de Politieke Partijen weer partijen worden opgericht. In november 1983 behaalde de Moederlandpartij van Özal een absolute meerderheid, waardoor deze benoemd werd tot premier en de macht van het leger wat verder kon terugdringen. Per referendum werd in september 1987 het verbod op politieke activiteiten van de oude partijleiders opgeheven, waarbij vooral oud-premier Süleyman Demirel op grote electorale steun bleek te kunnen bogen. Door de economische teruggang en toenemende problemen daalde in de twee de helft van de jaren tachtig de populariteit van Özal. Eind 1989 liet hij zich door het, toen nog door zijn Moederlandpartij beheerste, parlement tot president kiezen. De persoonlijke leiderschapsstijl, zijn eigenmachtig optreden in de buitenlandse politiek en de groeiende invloed van de islam leverden Özal ook binnen zijn eigen partij steeds meer kritiek op.

ln 1990 sloot Turkije in verband met de Golfcrisis de lraakse oliepijpleiding over zijn grondgebied af. Tijdens de Tweede Golfoorlog (1991) opereerde de geallieerde luchtmacht vanaf Turks grondgebied. Bij de parlementsverkiezingen van 1991 werd de Partij van het Juiste Pad van Demirel de grootste partij. Deze vormde een coalitie met de Sociaal-Democratische Populistische Partij van prof. Erdal Inönü.

De marxistische Koerdische Arbeiderspartij (PKK) van Abdullah Ocalan begon met een reeks aanslagen, die steeds meer het karakter van een guerrilla ging aannemen. Bovendien werd de Koerdische kwestie actueel door de tienduizenden Koerdische vluchtelingen uit Irak, die in 1988 en 1991 naar Oost-Turkije kwamen. De overheid besloot enerzijds de PKK hard te bestrijden, maar anderzijds concessies te doen op het gebied van de Koerdische taal, enz. Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie knoopte Ankara nauwe banden aan met de Turks sprekende voormalige sovjetrepublieken (Azerbajdzjan, Toerkmenistan, Oezbekistan, Kazachstan, Kirgizië).

President Özal stierf in april 1993. Demirel volgde hem op. De plaats van Demirel als premier werd ingenomen door Tansu Çiller, de eerste vrouwelijke premier. De regering van de econome Çiller - een coalitie van haar Partij van het Juiste Pad (DYP) en de kleinere Sociaal-Democratische Populistische Partij (SDHP) - bleek niet opgewassen tegen de economische problemen van het land. De begroting voor 1994 vertoonde een financieringstekort van ongeveer 10% van het bnp, waardoor de inflatie sterk werd aangewakkerd, de koers van de lira zwaar onder druk kwam te staan en de inflatie steeg tot boven de 100%.

Bij de in maart gehouden gemeentelijke verkiezingen boekte de fundamentalistisch-islamitische Welvaartspartij grote winst en veroverde in 28 steden het burgemeesterschap. De regering ging krachtig voort met haar pogingen een einde te maken aan de terroristische activiteiten van de PKK in het zuidoosten van het land. De aldaar gelegerde strijdmacht werd sterk uitgebreid en de acties tegen de gewapende terrorisctische opstandelingen van de Koerdische Arbeiderspartij (PKK) werden verhevigd. Desondanks pleegden de PKK een groot aantal aanslagen om het toerisme in het nauw te brengen en zo de economische problemen te vergroten. Hoewel plaatselijke verkiezingen in juni 1995 winst opleverden voor de DYP van Çiller, nam de oppositie tegen haar bewind toe. Van rechts werd zij bedreigd door het opkomend islamitisch fundamentalisme, terwijl ter linkerzijde veel kritiek was op het economische beleid, dat tot een buitensporige inflatie (meer dan 70%) en verlies van koopkracht had geleid. Ook kwam de premier in opspraak door het enorme vermogen dat zij en haar echtgenoot in korte tijd hadden opgebouwd.

Strubbelingen binnen de regeringscoalitie leidden in september 1995 tot de val van het kabinet-Çiller en tot vervroegde parlementsverkiezingen in december, waarbij de fundamentalistische Welvaartspartij (RP) van Neçmittin Erbakan als sterkste uit de bus kwam. De twee rechtse partijen, de Moederlandpartij van Yilmaz en de Partij van het Juiste Pad van Çiller, beschikten niet over een meerderheid, terwijl zij een coalitie met Erbakan niet aandurfden uit angst voor reacties uit het bedrijfsleven en vooral van het leger, dat vanouds de beschermer is van het seculiere politieke leven in Turkije. Uiteindelijk slaagden de gezworen vijanden Yilmaz en Çiller erin de steun te verkrijgen van de Democratische Linkse Partij van Ecevit en in maart 1995 werd Yilmaz premier. In juni echter al moest Yilmaz het ontslag van zijn regering indienen, nadat het Constitutioneel Hof de vertrouwensstem waarmee de coalitie aan de macht was gekomen, ongrondwettelijk had verklaard. President Demirel belastte daarop Erbakan met de formatieopdracht. De leider van de Welvaartspartij slaagde erin een coalitie tot stand te brengen met de Partij van het Juiste Pad van Çiller.

Erbakan werd de eerste islamitisch georiënteerde premier in de geschiedenis van het seculiere Turkije. De groei van de Welvaartspartij, de best georganiseerde politieke partij in Turkije, werd in verband gebracht met de snelle verstedelijking en de opkomst, vanaf 1960, van een zich gezwind ontwikkelende middenklasse van ondernemers in de provinciesteden. In maart was het Turkse leger begonnen met een nieuw grootscheeps offensief tegen de PKK. Zowel bij deze actie als opnieuw in juli drong het leger ver door op Iraaks grondgebied om bases van de PKK aan te vallen, wat niet alleen tot Iraakse protesten leidde, maar ook resulteerde in afkeuring van Europese landen.

De strijd van de terroristische PKK duurde ook in 1996 onverminderd voort. Sinds 1984 vonden daarbij ruim 30.000 onschuldige burgers de dood, minstens een half miljoen mensen waren gevlucht. Eind januari 1996 kwam het bijna tot een oorlog met Griekenland om een onbewoond Turks eilandje voor de Turkse kust (Grieks: Imia; Turks: Kardak). De toch al gespannen relatie met Syrië verslechterde, toen Ankara Damascus beschuldigde van steun aan de PKK en Syrië klaagde over beperking van de waterstroom door de Eufraat en Turkije aansprakelijk stelde voor enkele bomaanslagen in Syrië.

In februari 1997 dreigde Turkije zijn veto uit te spreken over de beoogde uitbreiding van de NAVO als het land zelf niet werd opgenomen in de uitbreidingsplannen van de Europese Unie. In december van dat jaar werd Turkije in Brussel te verstaan gegeven dat het voorlopig niet in aanmerking kwam voor het lidmaatschap van de EU. Belangrijkste obstakels waren de kwestie-Cyprus, de grensgeschillen met Griekenland, en de strijd tegen PKK. Turkije was hier des te meer ontsteld over, daar Cyprus wel tot de eerste landengroep behoort die in aanmerking komt voor het EU-lidmaatschap.

De regering-Erbakan trad in juni 1997 af, daar zij niet langer kon steunen op een meerderheid in het parlement. President Demirel zag in dat om militair ingrijpen te voorkomen, een coalitie zonder de islamitisch-fundamentalistische Welvaartspartij van Erbakan de enige oplossing was. Mesut Yilmaz, leider van de Moederlandpartij, stelde een coalitie samen met de Democratisch Linkse Partij en de kleine Democratisch Turkse Partij (beide conservatief). Maar ook de seculiere, conservatieve Yilmaz kon geen genade vinden in de ogen van de Nationale Veiligheidsraad. Deze raad wordt gedomineerd door het leger, dat zichzelf ziet als de hoeder van het door de hervormer Atatürk nagelaten seculiere stelsel. Het leger voert al jaren een militaire campagne tegen de politieke islam en dreigt met een staatsgreep als het seculiere karakter van de politiek niet bewaard blijft. In 1997 en 1998 nam de raad weer een heel pakket van maatregelen aan, die varieerde van het verbod op het dragen van hoofddoekjes in overheidsgebouwen en universiteiten tot een uitbreiding van het basisonderwijs, waardoor islamitische scholen hun leerlingen zouden kwijtraken.

De regering ging er schoorvoetend mee akkoord. In de voortslepende oorlog met de PKK viel het leger in 1997 tweemaal Noord-Irak binnen, vanwaaruit de PKK aanvallen op het zuidoosten van Turkije onderneemt. Het Turkse leger werd gesteund door de Iraaks-Koerdische Partij (KDP). Als tegenprestatie bombardeerde het leger stellingen van de rivaliserende Iraaks-Koerdische PUK. Ook probeerde Turkije het smokkelen van Koerdische vluchtelingen uit Noord-Irak naar Turkije en verder richting West-Europa aan te pakken, vooral omdat de mensensmokkel en drugshandel de belangrijkste inkomstenbronnen van de PKK zijn.

Toerisme

 


Algemeen

Turkije heeft een zeer rijk cultureel verleden met als hoogtepunten de neolithische cultuur van Çatal Hüyük bij Konya, het koninkrijk van de Hettieten, dat van de Oerarteeërs, het koninkrijk Phrygie, de cultuur van de Griekse Ioniërs, de ontwikkeling van het hellenisme met name op stedenbouwkundig en sculpturaal gebied (Pergamum, Priene), en, na de oudheid, de cultuur van de Seldjoeken (11de-13de eeuw) die overging in die van de Turken onder de dynastie van de Osmanen; in Europees Turkije was Istanbul onder de naam Constantinopel de hoofdstad van het Byzantijnse Rijk en het Osmaanse Rijk.
Turkse Rivièra
Naast vele islamitische monumenten bezit deze stad het hoofdwerk van de Byzantijnse bouwkunst, de Aya Sophia (6de eeuw). Een andere bezienswaardige stad in Europees Turkije is Edirne met o.a. de moskee van de hand van Turkijes belangrijkste architect, Sinan (16de eeuw).

Anatolië
In Aziatisch Turkije (Anatolië) is om te beginnen de Egeïsche kust interessant. Izmir, het antieke Smyrna, is het uitgangspunt voor het bezichtigen van de imposante ruïnes van de Griekse en hellenistische centra van weleer: behalve Priene en Pergamum o.a. Efeze, Milete, Didyma, Halicarnassus, Sardes en Hiërapolis, vlak bij Pamukkale, dat vermaard is om de terrasvormige kalkafzettingen van het warme, kalkrijke bronwater. Izmir zelf bezit een belangrijk Hettitisch museum.
        
Izmir Pamukkale
Egeïsche gebied
Manisa is het voornaamste Turks-islamitische cultuurcentrum in het Egeïsche gebied, met o.a. vele moskeeën. De badplaats Çesme heeft een middeleeuws fort. Kusadasi (vogeleiland) is een moderne, drukbezochte badplaats. Van de Middellandse-Zeekust is de badplaats Antalya het toeristisch centrum. Ook in dit kustgebied bevinden zich resten uit de antieke tijd, o.a. een aantal vnl. Romeinse theaters, in Aspendos (voor 15.000 toeschouwers; jaarlijks voorstellingen in juni), Demre, Side, Perge, Kas, Termessos (Grieks) en Xanthos.

Bij Demre bevinden zich voorts de ruïnes van Myra, de stad van Nicolaas van Myra (Sinterklaas), boven wiens graf een (Byzantijnse) kerk is gebouwd. In Perge bevindt zich behalve een theater ook een antiek stadion, bestemd voor 27.000 toeschouwers. Meer in oostelijke richting zijn toeristische plaatsen: Alanya, een vesting uit de Seldjoekentijd met binnen de - dubbele - muren moskeeën, een overdekte bazar, een karavanserai en een paleis; de Damlatas-druipsteengrot nabij Alanya; de badplaats Anamur met een groot middeleeuws kasteel; de badplaats Silifke met een kruisvaardersburcht; Mut met een 14de-eeuwse vesting; Adana; Antakya (het antieke Antiochie) met een befaamde collectie Romeinse mozaïeken in het museum.

Manisa



Alanya


Kusadasi

Zwarte Zeekust

De Zwarte-Zeekust heeft een mild klimaat. Hier valt de meeste neerslag van Turkije, zodat er uitgestrekte (sparren) bossen zijn. Tot de meer moderne badplaatsen behoort Giresun. Interessante architectuur heeft Trabzon (het Trebizonde uit de Byzantijnse tijd). Ten zuiden hiervan ligt boven een steile afgrond het 14de-eeuwse klooster van Sumela (Byzantijnse fresco's).
klooster in Trabzon 

West Anatolië

In West-Anatolië zijn Bursa en Iznik bezienswaardig. Bij Çanakkale ligt de ruïneheuvel van Troje. In Centraal-Anatolië liggen in de - wijde - omgeving van Ankara (musea, o.m. met de vondsten uit Alaca Hüyük): Bogazkale met de ruïnes van de Hettitische stad Hattusa en Yazilikaya met een Hettitisch heiligdom met beroemde reliëfs (13de eeuw v.C.); voorts de ruïnes van de Hettitisch-Phrygische stad Gordium, waar Alexander de Grote de 'gordiaanse knoop' zou hebben doorgehakt (zie ook Gordias) en de ruïneheuvel Alacahüyük. Amasya bezit o.a. moskeeën en rotsgraven van Pontische koningen. In het zuiden is de bedevaartplaats Konya bekend om de 'dansende derwisjen'.

Oost Anatolië
Het zuiden van Oost-Anatolië wordt ingenomen door het (historische) landschap Cappadocië, dat vooral bekend is om groepen grillige rotsen met vele natuurlijke grotten, die hebben gediend als woning, kerk of klooster. Men vindt ze o.a. bij Kayseri, Ürgüp, Göreme (kloostercomplex uit de 10de-11de eeuw met fresco's) en Derinkuyu (onderaardse steden). In Kayseri, Kirsehir en Nigde zijn fraaie voorbeelden van Seldjoekse en latere bouwkunst. O.a. hier kan men aan de portalen van de moskeeën en medressen (=islamitische hogescholen) de Turks-Islamitische beeldhouwkunst bewonderen, die vooral vanaf de 13de eeuw bestaat uit uitermate fijne, filigraanachtige arabesken en geometrische figuren; het beroemdste voorbeeld is de sculptuur van de Grote Moskee (13de eeuw) in Divrigi.
Kirsehir Cappadocie

In de overige delen van Oost-Anatolië zijn bezienswaardig: Tokat met een kasteel met 28 torens en moskeeën uit de 12de-16de eeuw; Kars met resten van de Armeense stad Ani (10de-11de eeuw); Diyarbakir met talrijke oude bouwwerken, o.a. een moskee uit ca. 1090 en een 5 km lange basalten (dus zwarte) stadsmuur met 72 torens; Van aan het Vanmeer, waar rotsgraven van de Oerarteeërs zijn gevonden; in het Vanmeer het eiland Ahtamar met de resten van een Armeens klooster (10de eeuw). Op de tegenover Van gelegen oever van het meer rijst de Nemrud Dag op, op welks 2150 m hoge top zich de resten bevinden van een heiligdom en graf (van Antiochus I van Commagne), bestaande uit o.a. een 50 m hoge piramide en vijf ca. 9 m hoge, tronende godenbeelden.

Istanbul

Algemeen

Istanbul, vroeger Constantinopel, daarvóór Byzantium, stad in Turkije, aan weerszijden van de Bosporus, hoofdstad van een gelijknamige provincie, met 7,64 miljoen inw. De oude stad ligt tussen de Zee van Marmara en de Gouden Hoorn; ten noorden hiervan, tussen de Gouden Hoorn en de Bosporus, liggen o.a. Beyoglu (vroeger: Pera), een stadsdeel met een Europees karakter, en Galata, het handels- en financiële centrum; er zijn drie bruggen over de Gouden Hoorn. Het stadsdeel Üsküdar (vroeger: Scutari) ligt aan de Aziatische zijde van de Bosporus (sinds 1973 brugverbinding).

Functies

In economisch en cultureel opzicht is Istanbul de belangrijkste stad van Turkije. De bevolking omvat diverse nationaliteiten, rassen en talen. Vanouds belangrijk is de handel. De uitstekende haven aan de Gouden Hoorn, bereikbaar voor de grootste zeeschepen, en de spoorwegverbinding met Midden-Europa hebben een belangrijke functie in het levendige goederenvervoer. De industrie produceert o.m. tabakswaren, voedingsmiddelen, textiel, leder- en metaalwaren, chemicaliën en verpakkingsmaterialen. Er zijn talrijke banken en handelsfirma's. Van diverse bazars zijn de Grote Bazar met meer dan 3000 winkels en de Egyptische Bazar de voornaamste. Internationale luchthaven Yesilköy. Istanbul is de zetel van een Grieks-orthodoxe patriarch, een Grieks-Bulgaarse aartsbisschop, een Armeens patriarch en een opperrabijn. Er zijn twee universiteiten (een algemene en een technische), een academie voor schone kunsten, een conservatorium, een handelsacademie en diverse vakscholen. Er zijn enkele grote bibliotheken en musea, o.a. het archeologisch museum, het museum voor Turks-islamitische kunst, het Topkapimuseum (o.m. handschriften), het Atatürkmuseum en het mozaïekmuseum.

Istanbul 

Gouden Hoorn

Kiz Kulesi

Bazaar
Stadsbeeld
Gezien vanuit de Gouden Hoorn biedt Istanbul met zijn koepels en minaretten en zijn vele cipressen een schitterende aanblik. In de oude stad zijn nog veel nauwe, kronkelige straten te vinden met lage houten huizen, hoewel in de loop van de 20ste eeuw zeer veel is gemoderniseerd. De stad is, evenals Rome, gebouwd op zeven heuvels en heeft een groot aantal van haar historische monumenten bewaard, evenals een deel van de stadsmuren. Uit de Byzantijnse tijd dateren het door keizer Flavius Valus in het derde kwart van de 4de eeuw gebouwde aquaduct (waar thans een zesbaansverkeersweg onderdoor loopt) en een aantal kerken (na 1453 alle tot moskeeën verbouwd en thans musea), waarvan de Aya Sophia het beroemdst is. De Irenekerk, gebouwd onder Justinianus, maakt deel uit van het Topkapi-complex; de kerk van Sergius en Bacchus werd in 526-527 gebouwd; de kerk van het vroegere Chora-klooster bevat schitterende mozaïeken uit de 13de en 14de eeuw. Ook zijn er ruïnes uit de Byzantijnse tijd, o.a. van het slot Tefkur en van het hippodroom.

Van de ca. 200 moskeeën die de stad rijk is, is de moskee van sultan Ahmed I (1616) met zes minaretten de befaamdste; haar bijnaam, Blauwe Moskee, dankt zij aan de schitterende blauwe faiencedecoratie. Belangrijk zijn ook o.a. de Nieuwe Moskee (1597-1663) en de moskeeën van Rüstempasa (1560), Bayazid (1501-1505), Süleyman I (1550-1557; thans museum voor Turks-islamitische kunst), Mehmet II (1571) en Nuruosman (1755). Het belangrijkste burgerlijke bouwwerk uit de Osmaanse tijd is het 'faiencepaviljoen' (Cinili Kösk) dat in 1472 werd gebouwd. Sultan Mehmed II liet in 1462 beginnen met de bouw van het Topkapi-paleis (het zgn. Serail), fraai gelegen aan de Bosporus, dat vier met elkaar verbonden binnenhoven omvat waarin gebouwen uit verschillende perioden liggen. Deze paleizen doen, evenals een aantal 19de-eeuwse sultanspaleizen, waarvan vooral het uitermate luxueuze Dolmabahce-paleis vermelding verdient, thans alle dienst als museum.


Blauwe moskee

AyaSofya moskee

Geschiedenis

De stad werd op de plaats van het oude Byzantium gebouwd (324-330) op last van Constantij de Grote, die haar tot hoofdstad van het Romeinse Rijk maakte en naar wie zij spoedig Constantinopel werd genoemd. Na de splitsing van het Romeinse Rijk (395) bleef Constantinopel de hoofdstad van het oostelijk deel van het Romeinse Rijk, later Byzantijnse Rijk. De stad werd door Theodosius II in 413 aanzienlijk naar het westen uitgebreid en voorzien van de thans nog bestaande stadsmuren. Tot begin 7de eeuw lagen alle officiële bouwwerken (paleis, senaat, hoofdkerk, hippodroom) geconcentreerd in het zuidoosten van de stad; Comnenen en Paleologen brachten echter het keizerlijke residentiekwartier over naar de noordhoek van de wallen (Blachernae). Oosterse kooplieden kregen sedert ca. 600 een eigen woonbuurt toegewezen op de zuidzijde van de Gouden Hoorn; in de 11de en 12de eeuw verwierven ook de Italiaanse zeesteden (Amalfi, Venetië, Pisa, Genua) er eigen kwartieren; even na 1260 vestigden de Genuezen zich op de overzijde van de Gouden Hoorn, in Galata.

Zeker vanaf ca. 700 hoofdzakelijk van Griekse herkomst, vormde de bevolking van Constantinopel steeds een kosmopolitisch geheel: Armeniërs, Russen, Bulgaren, Georgiërs, Arabieren, Turken, West-Europeanen brachten reeds vóór de Latijnse bezetting van 1204 eigen taal, zede en godsdienst binnen in een grotestadsleven, dat echter duurzaam Helleens bleef. Het bevolkingscijfer is moeilijk te schatten: de voorgestelde getallen schommelen voor de 6de tot de 11de eeuw tussen 175.000 en 600.000, ca. 1200 tussen 100.000 inwoners en 300.000 weerbare mannen, in het jaar 1453 zou het cijfer nog slechts 40.000 à 50.000 hebben bedragen.

Constantinopel bereikte zijn hoogste bloei onder Justinianus I (527-565), strokend met 's keizers droom van een integraal herstel van het Romeinse Rijk. De stad was het administratieve, religieuze, culturele en commerciële centrum van het rijk. Er was een staatsuniversiteit met bibliotheek en een vermaarde rechtsfaculteit. Constantinopel was van de 7de tot de 11de eeuw wereldmarkt en stapelplaats voor oriëntaalse producten. Daarnaast was het ook een zeer sterke vesting. Belegerd door Avaren en Perzen (626), door Arabieren (674-678, 717-718), Bulgaren (813, 913, 924), Russen (860, 907) en Petsjenegen (1090-1091), bezweek de stad pas voor het eerst onder de verwoestende stormloop van de Vierde Kruistocht (1204), maar werd in 1261 door Michael VIII Paleologus vanuit Nicea met Genuese hulp op de Franken en Venetië heroverd; Constantinopel zou nadien echter niet tot zijn vroegere glans herrijzen. Uiteindelijk doelwit van diverse imperialismen (de Bulgaren begin 10de eeuw, de Guiscards van Sicilië 12de eeuw, de Latijnen en Venetië begin 13de eeuw, de Zuid-Italiaanse Anjous ca. 1270, de Serviërs van Stefanus Doesjan ca. 1350, Aragon-Napels ca. 1450) werd Constantinopel ten slotte een buit voor de Osmaanse Turken.

Tweemaal reeds hadden dezen tevergeefs gepoogd zich van de stad meester te maken, toen eindelijk Mehmed II haar op 29 mei 1453 veroverde. Dit betekende tevens het einde van het Byzantijnse Rijk. De sultan verlegde zijn residentie nu onmiddellijk van Adrianopel (Edirne) naar Constantinopel, dat sedertdien de hoofdstad van het Osmaanse Rijk zou blijven. Kerken werden in moskeeën veranderd. De bevolking werd met Turkse en Slavische elementen aangevuld. De Grieks-Orthodoxe Kerk bleef echter haar vrijheid behouden en de patriarch werd zelfs met het burgerlijk bestuur over de christenen belast.

In de 19de eeuw was Constantinopel enige malen het toneel van bloedige gebeurtenissen. Tijdens de Griekse opstand werd een aantal vooraanstaande Griekse inwoners door fanatieke Turken vermoord; de patriarch werd in de deuropening van zijn kathedraal opgehangen (1821). In 1826 werden naar schatting 15.000 janitsaren op last van de sultan afgeslacht. Na de Turkse nederlaag in de Eerste Wereldoorlog werd de stad bezet door Britse, Franse en Italiaanse troepen (november 1918), die haar pas in okt. 1923 zouden ontruimen. Inmiddels was in 1922 het sultanaat afgeschaft en op 13 oktober 1923 hield Constantinopel officieel op hoofdstad van Turkije te zijn. Het bleef nog residentie van de kalief tot in april 1924 ook deze waardigheid werd afgeschaft. De Turkse Republiek verving de oude naam Constantinopel officieel door Istanbul (een verbastering van het Griekse eis tèn polin = naar de stad), een naam die in de 17de eeuw bij de Turkse bevolking in gebruik was gekomen. Sedert 1932 is Istanbul de enig toegelaten naam.
Izmir

 

Algemeen

Izmir, vroeger Smyrna, havenstad in Turkije, hoofdstad van de gelijknamige provincie, West-Anatolië, aan de Golf van Izmir (Egeïsche Zee), met 2 miljoen inw. De stad is een van de belangrijkste stedelijke centra van Turkije, met centrumfuncties op velerlei gebied.

Functies
De industrie omvat aardolieraffinage, scheepswerven, vrachtwagenfabricage en verwerking van katoen en wol; daarnaast chemische industrie, tapijtfabricage en verwerking van tabak. Er is een vrije-productiezone (1985); jaarlijks wordt een belangrijke handelsbeurs gehouden (sinds 1924). De haven is tevens een belangrijke marinebasis; de stad is zetel van het hoofdkwartier van de Zuid-Europese strijdkrachten van de NATO.

Izmir is zetel van een katholiek aartsbisschop, en was een van de eerste christelijke steunpunten in het gebied. Er zijn, naast de Egeïsche Universiteit (1955) en de Dokuz Eylül Universiteit (1982), vele instellingen voor hoger onderwijs. Van de musea zijn het Efezemuseum (1939; archeologie) en het Museum voor Moderne Turkse Kunst te noemen. In de omgeving liggen de ruïnesteden Efeze, Pergamum, Sardis, Priene, Milete en Didyma. De stad wordt vanwege de ligging aan de Meles (thans: Kizilca/culu) wel beschouwd als de geboorteplaats van Homerus; belangrijk en toenemend toerisme. Luchthaven.

Stadsbeeld
Door verwoestingen in de Eerste Wereldoorlog, de grote brand van september 1922 en zware aardbevingen in de 17de, 18de en 20ste eeuw zijn nog slechts weinig historische bouwwerken bewaard. Indrukwekkend zijn de resten van de oorspronkelijk in de hellenistische tijd aangelegde agora (na aardbevingen in de 2de eeuw door de Romeinen herbouwd); voorts resten van de laat-Byzantijnse vesting, op de Pagusberg (165 m) aan de Golf.

Geschiedenis
De stad werd ca. 1000 v.C. op ca. 4 km van de huidige stad als Smyrna door Aeolische kolonisten gesticht. Ze kwam snel onder Ionisch beheer en groeide uit tot een gezaghebbende stad tot ze in de 7de eeuw v.C. door koning Alyattes van Lydië met de grond gelijk werd gemaakt. Ze werd in de 4de eeuw v.C. door Alexander de Grote op haar huidige lokatie herbouwd en ontwikkelde zich daarna tot een van de belangrijkste en grootste steden van Klein-Azië, geroemd om haar stedenschoon en scholen. Na de verdeling van het Romeinse rijk viel de stad toe aan het Byzantijnse rijk; in 1424 werd ze veroverd door de Osmanen. Ze was van 1919 tot het einde van de Turks-Griekse Oorlog (1922) kortstondig in Griekse handen. De huidige economische welvaart dateert van na de Tweede Wereldoorlog; in 1955 telde de stad 296.600 inw, in 1975 waren dat er 636.800. Ca. 40% van de bevolking leeft in de uitgestrekte sloppenwijken rond de stad.
Antalya

 

Algemeen

Antalya, havenstad in Turkije, hoofdstad van de gelijknamige provincie, aan de Middellandse Zee, aan de voet van de Westelijke Taurus, met 429.000 inw. Antalya beschikt over een moderne grote haven (import van o.m. aardolie) en is een belangrijk handelscentrum voor de agrarische omgeving waar tarwe en citrusvruchten worden verkocht. Vanwege de historische waarde van de stad en de omgeving, het subtropische klimaat en de langgerekte zandstranden is Antalya een gezochte toeristenplaats, ook op nationaal niveau. Er is een bloeiende handel in souvenirs en er zijn talloze hotels en pensions. De stad heeft een internationale luchthaven en ligt aan de E 24 die vanuit Griekenland langs de Turkse Rivièra naar Syrië voert. Akdeniz Universiteit (1982).

Het archeologisch museum, ondergebracht in een modern gebouw, is met zijn verzameling oudheden en islamitische kunst een van de belangrijkste van Turkije. Het opmerkelijkste monument is de 13de-eeuwse minaret, die hoog boven de lage moskee (in later tijd herbouwd) uittorent in het oude stadsdeel dat tijdens de heerschappij van de Seldjoeken werd gebouwd. Bezienswaardig is ook de triomfboog die in 130 n.C. ter ere van een bezoek van keizer Hadrianus werd gebouwd.

Geschiedenis
Antalya werd in de 2de eeuw v.C. als Attaleia gesticht door Attalus II van Pergamum en was een belangrijke versterkte plaats in het Romeinse en Byzantijnse tijdperk.
Trabzon

 

Algemeen
Trabzon of Trebizonde, stad in Turkije, hoofdstad van de gelijknamige provincie, regio Zwarte-Zeekust, hoofdstad van de gelijknamige provincie, met 164.000 inw. Textielindustrie (wol, linnen, zijde), leerbewerking en scheepsbouw. Van oudsher belangrijke stapelplaats voor de handel tussen Europa en Voor-Azië; de voornaamste handelsproducten zijn hazelnoten, thee, tabak, vee en wol. Beginpunt van een passenweg door het Pontisch gebergte; vliegveld. Universiteit (1963). De stad ligt aan de voet van een vesting uit de Byzantijnse tijd; de oude binnenstad is ommuurd. Het belangrijkste monument is de voormalige kerk Aya Sophia (13de eeuw), met interessante reliëfs; voorts zijn te noemen de St.-Eugeniuskerk (1291) en de Panayia Chrysocephalos (13de eeuw), thans beide als moskee in gebruik.

Geschiedenis
Trabzon, in de 7de eeuw v.C. vanuit Sinop gesticht als Trapezous (Lat.: Trapezus), maakte vanaf de 1ste eeuw v.C. deel uit van het rijk van Pontus. Na achtereenvolgens in Romeinse en Byzantijnse handen geweest te zijn, werd het in 1204 de hoofdstad van het door Alexius, kleinzoon van Andronicus I, gestichte keizerrijk Trebizonde. In 1461 werd de stad door de Turken veroverd.

Bursa

 

Algemeen

Bursa [aardrijkskunde] of Boersa, ook Brusa, Broussa of Broessa, hoofdstad van de gelijknamige provincie in Turkije, ca. 100 km ten zuiden van Istanbul, met 949.000 inw. De stad is een belangrijk handels- en industriecentrum voor de agrarische omgeving, waar rijst, tabak en citrusvruchten worden verbouwd. De industrie verwerkt deze producten en omvat voorts enige metaalindustrie en zuivelfabrieken. Van oudsher staat Bursa bekend vanwege de productie van en handel in fraaie zijde en tapijten.

Bursa is vanwege de rijke historie, de prachtige ligging en de vele monumenten een toeristische trekpleister bij uitstek. Er bevinden zich minerale bronnen op de helling van de Ulu Dag, aan de voet en op de helling waarvan de stad is gelegen. Tevens zijn er de resten van Romeinse thermen, die vroeger werden gevoed door deze bronnen. De stad telt enkele belangrijke moskeeën, o.a. de Ulu-Djami (= grote moskee, 1379-1421), met praalgraven van de eerste zes sultans van Turkije, en de Yesil-Djami (= groene moskee, 1413-1421), die haar naam dankt aan de hoofdkleur van de faiencetegels die het interieur sieren; in het 'groene mausoleum' naast de moskee ligt sultan Mehmed I begraven. Tevens zijn er de graven van Osman I en zijn zoon, de Uludag Universiteit (1975) en een archeologisch museum.

Geschiedenis
De stad werd in 184 v.C. als Prusa gesticht en was van 1326 tot 1361 de zetel van de Osmaanse sultans.
Ankara

 

Algemeen


Ankara, hoofdstad van Turkije, aan de Ankararivier, in Centraal-Anatolië, met 2,8 miljoen inwoners

Functies
De stad is het administratieve centrum van het land (zetel van regering en parlement) en tevens een belangrijk handelscentrum. De overwegend lichte industrie omvat productie van voedsel (wijnen, bier, suiker en zuivelproducten), bouwmaterialen, machines, tractoren en textiel. Ook op het gebied van onderwijs heeft Ankara een centrumfunctie: er zijn diverse musea (etnografisch museum, archeologisch museum, natuurkundig museum), bibliotheken, theaters, een opera en vier universiteiten (Hacattepe Universiteit [1206], Universiteit van Ankara [1946], de Technische Universiteit van het Midden-Oosten [1956] en de Gazi Universiteit [1982]). De stad ligt op een kruispunt van nationale en internationale (E 5, E 23) wegen en spoorlijnen, en heeft een internationale luchthaven (Esenboga).

Stadsbeeld
De oude stad rond de dominante hooggelegen citadel uit de Byzantijnse tijd biedt nog een typisch Oosterse aanblik, met kleine winkeltjes, bazaars en historische gebouwen, waaronder de Arslanhane Camiimoskee uit 1290. Uit de Romeinse overheersingsperiode resteren nog de thermen (217 n.C.), de resten van de aan Augustus en Roma gewijde tempel (20 v.C.; thans ondergebracht in een kerk) waarbij in 1555 de beroemde inscriptie bekend als Monumentum Ancyranum werd teruggevonden. Voorts overheerst het mausoleum van Atatürk (1953), met daarin het Atatürkmuseum. Meer naar het zuiden, westen en oosten liggen de moderne wijken, met daarbij de armere sloppenwijken. Het zakelijk leven speelt zich af rond de Atatürkboulevard.

Geschiedenis
De stad, oudtijds Ancyra geheten, zou volgens de sage door Midas in de 9de eeuw v.C. zijn gesticht en was in de Romeinse tijd een bloeiend centrum van handel en een knooppunt van wegen. In 621 werd de stad door de Arabieren ingenomen en in de 13de eeuw door de Seldjoeken. In 1919 verkoos Mustafa Kemal Ankara als zetel van zijn bewind; in 1923 werd het hoofdstad van de nieuwe republiek, waarna de stad weer snel tot bloei kwam. Tot 1930 heette Ankara Engürü (in Europa Angora genoemd).

Nevsehir

Algemeen

De provinciehoofdstad Nevsehir vormt de toegangspoort tot Cappadocië. Op de hoogste heuvel van de stad is een Seldtjoek-kasteel te vinden. Daarnaast behoort de Kursunlu-moskee, gebouwd voor de grootvizier Damat Ibrahim Pasja, tot een van de overgebleven historische gebouwen. De moskee maakt deel uit van een complex waartoe een medresse, een gastenkwartier en een bibliotheek behoren. Een reinigingsfontein op de binnenplaats bevat nog steeds de originele inscripties. Het Nevsehir-museum toont lokale kunstvoorwerpen.

Hevige uitbarstingen van de Erciyes- (3916 m) en Hasan-vulkaan (3268 m) bedekten drie miljoen jaar geleden het plateau dat Nevsehir omgeeft met tufsteen, een zacht gesteente bestaande uit lava, as en modder. Wind en regen hebben een erosiewerking op dit broze gesteente gehad en een spectaculair surrealistisch landschap gevormd van rotskegels, toppen als mutsen en uitgeslepen dieptes, variërend in kleur van warm-rood tot goud en van koele groen tot grijze tinten.
Deze pagina is ververst op: Monday, 26 January, 2004